Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Stelwagen < Stelwage
Wagen, van der
Stelmaker

verklaring:
Volgens het WNT is een stelwagen "een stellage op rollen die men tot snoeien van boomen enz. bezigt". Wellicht kan ook gedacht worden aan stel = 'een wagen die geen bovenstuk heeft, waar de vaten niet op een bodem staan, maar op ribben liggen, bepaaldelijk voor een bierwagen of een melkkarretje' (deel XV, kolom 1257, 1252).


kenmerken:
metonymische beroepsnaam

specifieke componenten:

geen affix

metonymische beroepsnaam

Familienamen afgeleid van soortnamen van het type Brood voor een bakker, Wiekstra voor een molenaar, Hamer voor een timmerman. Ze verwijzen naar een product, een werktuig of een attribuut dat kenmerkend is voor de beroepsuitoefening.
Ook 'voorwerpsnamen' die niet per se met iemands beroep te maken hebben, maar wel voorwerpen aanduiden die bij iemand horen, in verband met de een of andere bezigheid, worden hiertoe gerekend. Bij de naam Mes is het bijvoorbeeld moeilijk uit te maken of de naamsoorsprong te danken is aan het beroep 'messenmaker' of dat die eerste naamdrager zo genoemd werd omdat hij een mes aan zijn riem had hangen om als er aanleiding voor was daarmee het gevecht aan te gaan.

• Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?
Het zijn namen die verwijzen naar de producten die door de eerste naamdragers werden gebakken. Dit waren immers broodbakkers, koekbakkers, pottenbakkers en steenbakkers. Andere voorbeelden van dit soort product-namen zijn Appel (appelverkoper), Klomp (klompenmaker), Mostert (mosterdmaker), Olij (olieslager), Peper (peperstoter d.w.z. iemand die peper fijnstampt en verhandelt), Schuit (schuitenmaker), Veen (veenbaas van een turfafgraverij) en Vis (visser).
Ook het zelfstandig naamwoord van het materiaal, een attribuut of een stuk gereedschap dat een beroep kenmerkte werd voor de naamgeving gebruikt. Bijvoorbeeld Bierwagen (bierbrouwer), Hardijzer (Segewin Hartyser, begin zestiende eeuw geschutgieter van Karel van Gelre te Zutphen), Trommel (trommelslager), Balk (eertijds Balckholt, een timmermansfamilie), Spaak en Speek (wagenmakers), Drijfhout en Drijfholt (kuipersgereedschap dat dient tot het aandrijven van hoepels of banden). Hendrik Jans nam te Grouw in 1811 de naam Ruitenschild aan, waarmee hij zijn beide ambachten, glazenmaker en schilder, tot uitdrukking bracht. Een Friese familie gebruikte aanvankelijk de namen Camminga en Vellinga naast elkaar, omdat zij het wolkammersvak uitoefende en in de vellenbloterij werkte. Heel oud is de naam Knijf ('dolk'): Ansfridus Knijf, Utrecht 1108.
[L. Brouwer, 'Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?' in: OT kalender 8-5-1999].
• "Labda had achter de deur gestaan en alles gehoord. Uit angst dat ze haar kind zouden doden, verborg ze het op de onwaarschijnlijkste plek die ze kon bedenken, namelijk in een meelkist (kypselè). Toen ze binnenkwamen om het kind te zoeken, zochten ze het hele huis door, maar vonden het niet. Ze gingen terug en zeiden dat ze hun opdracht volledig hadden uitgevoerd. Labda's zoon groeide evenwel op en hij werd naar aanleiding van zijn ontsnapping aan het gevaar naar die kist Kypselos genoemd" [Herodotos, 'De tirannie in Korinthe', in: Historiën IV, voor 425 v. Chr.].

afkortingen en bibliografische notaties: