Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Bijl < Bijl, van de / der
Bijlsma (y)
Bijlmakers
Beijl (y)
Bodbijl

verklaring:
De familienaam Bijl is aan mannen gegeven met diverse ambachten waarbij de bijl werd gehanteerd, zoals aan timmermannen en vleeshouwers.
Het verhaal gaat dat de Heer van Egmond anno 1205 vier broers die hem bevrijd hadden beloonde door hen in de adelstand te verheffen. Een broer die een bijl droeg werd daarbij Jan Bijl genoemd.
Er is ook een tak Bijl waarvan de naam vóór migratie in 1780 van Blokzijl naar Amsterdam Bul luidde; die naam is kennelijk verkeerd verstaan.
De term bijltjesdag voor 'tijd van afrekening' herinnert aan de oproer in 1787 van de zogenaamde Bijltjes, zoals de manmoedige scheepstimmerlieden van Kattenburg naar hun werktuig werden genoemd.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Bijl', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
metonymische beroepsnaam adresnaam
vormverandering

specifieke componenten:

geen affix

metonymische beroepsnaam

Familienamen afgeleid van soortnamen van het type Brood voor een bakker, Wiekstra voor een molenaar, Hamer voor een timmerman. Ze verwijzen naar een product, een werktuig of een attribuut dat kenmerkend is voor de beroepsuitoefening.
Ook 'voorwerpsnamen' die niet per se met iemands beroep te maken hebben, maar wel voorwerpen aanduiden die bij iemand horen, in verband met de een of andere bezigheid, worden hiertoe gerekend. Bij de naam Mes is het bijvoorbeeld moeilijk uit te maken of de naamsoorsprong te danken is aan het beroep 'messenmaker' of dat die eerste naamdrager zo genoemd werd omdat hij een mes aan zijn riem had hangen om als er aanleiding voor was daarmee het gevecht aan te gaan.

• It is a moot point to what extent surnames derived from the word for a product or object (with no agentive affix) were always metonyms for the occupation. It must often have been so, perhaps arising from clipped forms of fully formed agent nouns: thus Mes ('knife') for Mesmaker or Messer ('cutler'), and Wiel ('wheel') for Wielemaker or Wieldraaijer ('wheelwright'), as well as the synonymous Frisian name Wielenga (when it is not a habitational name comparable to Van der Wiel(en), a topographical name from wiel 'pool'). On the other hand, it is seldom that one finds evidence to confirm these occupational senses, and it is likely that the metonymy could have developed from a range of possible associations between the product and the name-bearer (that he habitually wore or brandished a knife, or used to turn around like a wheel, for example), not only (or even) that he made and sold these items. A good example of this ambiguity is the name Tulp ('tulip'). The tulip is symbolic of the refined culture that developed in the Dutch Golden Age. To proclaim his devotion to the flower, the famous doctor Nicolas Tulp marked his canal house in Amsterdam with a tulip and chose Tulp for his family name. To others, however, the surname may have been given metonymically because they were growers of tulips or were fine gardeners. More will be said on this matter in the following section [Leendert Brouwer & Peter McClure, 'Dutch family names', in: DAFN (preface of the revised second edition of the Dictionary of American Family Names, edited by Patrick Hanks, to be published by Oxford University Press in 2022 --- https://www.cbgfamilienamen.nl/nfb/documenten/DAFN%202,%20ESSAY,%20Dutch%20names.pdf)].
• Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?
Het zijn namen die verwijzen naar de producten die door de eerste naamdragers werden gebakken. Dit waren immers broodbakkers, koekbakkers, pottenbakkers en steenbakkers. Andere voorbeelden van dit soort product-namen zijn Appel (appelverkoper), Klomp (klompenmaker), Mostert (mosterdmaker), Olij (olieslager), Peper (peperstoter d.w.z. iemand die peper fijnstampt en verhandelt), Schuit (schuitenmaker), Veen (veenbaas van een turfafgraverij) en Vis (visser).
Ook het zelfstandig naamwoord van het materiaal, een attribuut of een stuk gereedschap dat een beroep kenmerkte werd voor de naamgeving gebruikt. Bijvoorbeeld Bierwagen (bierbrouwer), Hardijzer (Segewin Hartyser, begin zestiende eeuw geschutgieter van Karel van Gelre te Zutphen), Trommel (trommelslager), Balk (eertijds Balckholt, een timmermansfamilie), Spaak en Speek (wagenmakers), Drijfhout en Drijfholt (kuipersgereedschap dat dient tot het aandrijven van hoepels of banden). Hendrik Jans nam te Grouw in 1811 de naam Ruitenschild aan, waarmee hij zijn beide ambachten, glazenmaker en schilder, tot uitdrukking bracht. Een Friese familie gebruikte aanvankelijk de namen Camminga en Vellinga naast elkaar, omdat zij het wolkammersvak uitoefende en in de vellenbloterij werkte. Heel oud is de naam Knijf ('dolk'): Ansfridus Knijf, Utrecht 1108.
[L. Brouwer, 'Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?' in: OT kalender 8-5-1999].
• "Labda had achter de deur gestaan en alles gehoord. Uit angst dat ze haar kind zouden doden, verborg ze het op de onwaarschijnlijkste plek die ze kon bedenken, namelijk in een meelkist (kypselè). Toen ze binnenkwamen om het kind te zoeken, zochten ze het hele huis door, maar vonden het niet. Ze gingen terug en zeiden dat ze hun opdracht volledig hadden uitgevoerd. Labda's zoon groeide evenwel op en hij werd naar aanleiding van zijn ontsnapping aan het gevaar naar die kist Kypselos genoemd" [Herodotos, 'De tirannie in Korinthe', in: Historiën IV, voor 425 v. Chr.].

afkortingen en bibliografische notaties: