Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Hengst < Hengst, den
Hengst, van
Hingst
Hengstman
Henst

verklaring:
1. Woonplaatsaanduiding van een persoon woonachtig in een pand geheten De Hengst of bijvoorbeeld De Wilde Hengst, wellicht met een uithangbord waarop dit mannelijke paard steigerend was afgebeeld. Of, zoals men bij een bron uit de documentatie kan veronderstellen, een persoon varend op een schip genaamd De (Zwarte) Hengst.
2. Beroepsbijnaam voor een paardenfokker of paardenkoopman, een hengstmanger.
3. Bijnaam voor 'een man als een hengst', een man met eigenschappen die aan een hengst doen denken, mogelijk een krachtdadige man met een wilde haardos (minder waarschijnlijk maar niet uitgesloten).

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Hengst', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
adresnaam metonymische beroepsnaam metafoor
andere taal

specifieke componenten:

geen affix

metafoor

Dit is een categorie van oorspronkelijke bijnamen op grond van vergelijking en overeenkomst: de naamdrager heeft zijn naam te danken omdat hij lijkt op, of doet denken aan ... (vul in: zijn naam).
De naam Vos zou bijvoorbeeld gegeven kunnen zijn aan iemand die zo rood of zo slim als een vos was.
Veel 'dierennamen' zoals Vos, De Leeuw, De Wolf en Kraaij kunnen in principe tot deze categorie worden gerekend. Daarnaast behoren deze namen echter tot de categorie huis- of adresnamen. We kunnen er zelfs vanuit gaan dat vaker van een huisnaam sprake is dan van een bijnaam op grond van gelijkenis.

Ook de familienaam Avondrood zou een zinspeling op de rode haarkleur kunnen zijn, terwijl bij deze naam tevens gedacht kan worden aan een reusachtige gestalte waarbij gelijkenis met de uit volksverhalen en sagen (Dietrichsage) bekende reus Abendroth een rol speelt.

Deze 'categorie' sluit aan bij die van de namen die het kenmerk 'persoonstype' meekrijgen: achternamen die als persoonsaanduidingen of bijnamen gegeven zijn vanwege bepaalde uiterlijke of geestelijke eigenschappen en opmerkelijke karaktertrekken of omgangsvormen. Metaforen lenen zich ook hier voor rake benamingen. Iemand die groot was werd De Reus genoemd, een zwartharige en donkergetinte man kreeg de bijnaam De Moor, iemand die zich voornaam voordeed werd De Baron genoemd, omdat hij door zijn manier van doen aan een baron deed denken.

• Nicknames - Most nicknames characterize a physical, mental, or moral attribute or an association with an event or habit that was peculiar to a particular person in his or her community. This in itself makes them semantically highly diverse in comparison with other categories of surname. They are also formally exceptionally varied. Straightforwardly literal descriptions rub shoulders with a host of more colorful and sometimes perplexing names derived from metaphors, metonyms, and words and expressions plucked from conversational speech. Literal descriptions are typified in a name such as De Groot ('the great'), for a man of large stature. It is a widespread family name in both Flanders and the Netherlands (where there were over 36,000 bearers of the name in 2007). The reduced forms Groot and Grote (without the article) are the usual spellings in the US but in the Netherlands they are more characteristic of the province of North Holland. Its antonym (De) Kort(e), for someone of short stature, is surprisingly far less common in its homeland but is well attested as Kort and Korte in the US, where a branch of the family Korthals ('short neck') can also be traced. De Roo ('the red') and Rood denoted someone with red hair. Berrevoets and Bervoets ('bare-foot') may lie behind some American examples of Barefoot. Quick-footed persons were
named in Dutch as Ligtvoet, which in America would have been translated into English Lightfoot. Doeve (see Dove) denoted a deaf person, Blind a blind man. Dutcher is sometimes an Americanized form of Dutch Duyster or Duijster, a nickname from Middle Dutch duuster, duister 'gloomy', also 'stupid', while Klock is from Middle Dutch cloec, clo(o)c 'deft, skillful, clever', and Quant is sometimes from Middle Dutch quant
'companion, joker'. A name such as Regtop ('upright') could refer to a manner of deportment or to moral rectitude. Nevertheless, since we do not know the circumstances in which these names were originally given, we cannot always be sure that no irony was intended when the name was apparently complimentary or (even) uncomplimentary. Metaphoric names alluding to the real or supposed characteristics of animals, birds,
and other creatures are plentiful, for example Vos or Devos ('fox'), for a red-haired or cunning man, Crane or Krane ('crane, heron'), for a long-legged man, and De Kever ('the beetle'), perhaps for a short, stubby person. Metonymic names (based on contiguity rather than similarity) are even more common, but it is often difficult to be sure what the original bearers' associations were with the objects or incidents from which their name derived. Poot ('paw, leg') no doubt referred to something physically remarkable but there is no way of knowing exactly what this was. Did the bearer have long legs or a crippled leg?
Nicknames invite questions that we are rarely able to answer. Were names such as Pannekoek (Americanized in the US as Pancake), Brood ('bread'), Schoonbrood ('fine bread'), Wittebrood ('white bread'), and Koek ('cake' or 'biscuit') given to lovers of these foods or to makers and sellers of them? Was Den Hoed ('the hat', compare Hood) a nickname for someone who wore a hat in a distinctive way or who made and sold hats? For Klomp, however, we may be pretty sure that it is an occupational nickname synonymous with, or a shortening of, Klompenmaker 'clog maker'. All country folk once wore these 'typical Dutch' wooden shoes, so klomp would not be distinctive for nicknaming someone who wore them.
Lack of motivational context is a pervasive problem in interpreting the original meaning of surnames, and this is exacerbated by formal ambiguities that blur the distinctions between types of name. (De) Koning looks like a metaphorical nickname for someone who gave himself royal airs, but it could also have been a status name for the head of a craftmen's guild or for the 'king' elected to preside at a folk festival. Alternatively, it might have been a habitational surname, referring to a house or inn named "The King". Likewise, den Hoed, Krane, and Pannekoek could all derive from house or inn names, perhaps with a hat, crane, or pancake depicted on a signboard. Not only were some inns called "In de Pannekoek" but some farms were nicknamed "Pancake" from fields or meadows that were round and "flat as a pancake", so this is another possible origin of the family name [Leendert Brouwer & Peter McClure, 'Dutch family names', in: DAFN (preface of the revised second edition of the Dictionary of American Family Names, edited by Patrick Hanks, to be published by Oxford University Press in 2022 --- https://www.cbgfamilienamen.nl/nfb/documenten/DAFN%202,%20ESSAY,%20Dutch%20names.pdf)].

afkortingen en bibliografische notaties: