Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Burg, van de / den / der
< Burger < Burgers
Borger
Burgering
Burger, den
Oldenburger

verklaring:
De familienaam Burger is in de eerste plaats aan het zelfstandig naamwoord burger ontleend. Voor het motief van naamgeving moet men nagaan welke betekenissen aan dit woord in het Middelnederlands (burghere, borghere) zijn toegekend. Het is meer een statusnaam dan een beroepsnaam. Een burger is de ingezetene van een stad, met de gunsten en plichten van een poorter, en wellicht een man van aanzien met bepaalde verantwoordelijkheden. Het motief van naamgeving was mogelijk dat men iemand met deze toenaam onderscheidde van een naamgenoot (met dezelfde voornaam en hetzelfde patroniem) die geen burger was.
Eventueel kan ook aan de betekenis burger/borger = borgman = iemand die borg staat, een schuldverlener en derhalve een schuldeiser gedacht worden.
Een geheel andere verklaring gaat uit van de Germaanse persoonsnaam Burghard/Borchert (burg/borg = 'bescherming', hard = 'sterk'): Burger als onverbogen patroniem bij deze voornaam.


kenmerken:
betrekking beroepsnaam patroniem

Veel voornamen die aan de basis van patroniemen liggen worden verklaard in de
Nederlandse Voornamenbank

specifieke componenten:

geen affix

beroepsnaam

Deze categorie bevat de familienamen die berusten op de woordcategorie die met de Latijnse term 'nomina agentis' wordt aangeduid: woorden die van werkwoorden zijn afgeleid en handelende personen aanduiden. In de naamkunde is de term beroepsnaam ingeburgerd, maar die is strikt genomen niet helemaal dekkend. Tot deze categorie worden ook namen gerekend die aangeven wat iemand (wel eens of gewoonlijk) doet, maar daarmee niet per se zijn brood verdient.
Maar de term beroepsnaam overtreft het nomen agentis met namen op -man, zoals Koopman en Appelman (appelhandelaar), en nog een aantal namen die van oorsprong geen handeling belichamen.
De zogenaamde indirecte of metonymische beroepsnamen, zoals Brood voor 'bakker' en Appel voor 'appelhandelaar' (één van de mogelijkheden), rekenen we niet tot deze categorie.
Wel zijn in deze categorie ook de 'standsnamen' ondergebracht, zoals Burger, De Poorter, De Ridder, Knaap, Meijer (vgl. dts. Standesname).

• "Onder beroepsnamen verstaat men die familienamen waarvan het voorstadium oorspronkelijk iemands beroep, ambt of rang binnen een beroep aanduidde, dus familienamen als Bakker, Boerrigter en Vaandrager" [Ebeling-1993, p 134].
• "In het Oudgermaans werden nomina agentis gevormd met het suffix -(j)an, dat in het Middelnederlands -e werd, bijv. Middelnederlands hertoge '(letterlijk) legeraanvoerder', Nederlands bode, Middelnederlands kempe 'kamper, vechter', schenke 'schenker', scutte 'schutter' (Duits Schütze), Middelnederlands herde 'herder'. Toen het suffix -e niet meer distinctief was, werd het vervangen door -er, -aar" ['Taalkundige termen', in: ..., p. 38].
• [J.B. Glasbergen, Beroepsnamenboek. Nederlandse beroepsnamen vóór 1900, Amsterdam-Antwerpen (Veen) 2004].

afkortingen en bibliografische notaties: