Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Graaf, de
< Prins < Prinsen
Prince
Prinz
Prins, de
Winkler Prins

verklaring:
Met het woord prins wordt door de eeuwen heen een vorst aangeduid met een zekere status, een koningszoon of een landsheer met gezag over een aanzienlijk territorium dat evenwel niet heel groot is; ook wel de benaming voor een troonpretendent die nog geen souverein vorst is. In Nederland is prins een dynastieke titel. Door de eeuwen heen zijn diverse prinsen vereerd met een afbeelding op een uithangbord. De huisnaam "in de(n) Prins" verwees vooral naar de Prins van Oranje, waarvan we er verschillende gehad hebben, maar de eerste Willem van Oranje was het populairst. Hij ontleende zijn titel aan het prinsdom Oranje, oftewel het principauté d'Orange. Het woord prins is via het Franse woord prince uit het Latijnse princeps = 'leider, hoogste in rang, de belangrijkste' ontwikkeld. Niet alleen herbergen nodigden klandizie met een afbeelding van de Prins uit, ook voor andere bedrijven was de Prins hun boegbeeld. Van Lennep en Ter Gouw laten in hun befaamde boek uit 1868 een winkelier met scheepsbenodigdheden uit Vlissingen na de moord op Willem van Oranje met deze leus reclame voor zijn nering maken:

"In de Oude Prins Willem, die te Delft is doorschoten
Maakt men tot ieders gerief haken, bomen en allerhande bepikte goten"

Voor de komst van Willem van Oranje waren er overigens ook al prinsen. Als achternaam kennen we Prins immers al van ene Egbert Jansz Prins die in 1480 als Raad van Amsterdam werd vermeld. Genealogisch onderzoek in Gelderland leidde naar een latere Aris Aelten, die in de 17e eeuw waard in de Prins (waar de Prins uithing) te Barneveld was.
Met al die huizen die naar een prins zijn vernoemd is Prins een veelvoorkomende familienaam geworden. Maar misschien zijn er ook naamdragers voor wie een ander motief de aanleiding is geweest. Te denken valt aan personen die bijgenaamd Prins werden, omdat ze een of andere relatie hadden tot een prins, misschien omdat ze een dienstbetrekking hadden, of omdat ze zich als een prins gedroegen of omdat ze gelijkenis met een bepaalde prins vertoonden. Heeft een jongeling misschien de bijnaam 'de Prins' gekregen, omdat hij met de Prins dweepte, was het een titel in verenigingsverband die als bijnaam werd overgedragen? Verschillende mogelijkheden passeren de revue. Ten slotte kan men ook met de familienaam Prins rondlopen, omdat de voorouder die deze naam verkreeg bij een herenhuis op de Prinsegracht te vondeling is gelegd, zoals het een baby in 1807 in Den Haag overkwam.
Uit de Franse wordvorm 'prince' is in de Nederlandse standaardtaal uiteindelijk 'prins' de moderne woordvorm geworden. Maar er zijn verschillende vorm- en spellingsvarianten die nog aan de Franse vorm gerelateerd zijn. De familienaam Prince, wat behalve de Franse ook de Engelse vorm is, is in Nederland ook nog goed vertegenwoordigd. Daarnaast zijn er varianten als Prinsen, Princen, Prinse, De Prinse, Prinssen, Prinsze, Prinze, en Prinsse en deze vormen hebben hun vorm eerder te danken aan onbeholpenheid ten opzichte van het oorspronkelijke leenwoord prince, dan met genitivering en suffigering, dat wil zeggen met toevoeging van -en-verbuiging in de tweede naamval en het achtervoegsel -se(n), dat in patroniemen uit -sone = 'zoon' voortkomt. De naamvorm Princee of Princée is niet anders dan Prince met een verfranst accent dat in deze naam in wezen niet op zijn plaats is. In Prinz herkennen we de Duitse naamvorm.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Prins', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
adresnaam betrekking persoonstype metafoor
vondeling

specifieke componenten:

geen affix

adresnaam

Zeer veel familienamen zijn van toponiemen (aardrijkskundige namen) afgeleid. Deze namen geven aan waar men vandaan kwam (herkomstnamen), welk gebied of landgoed men bezat of beheerde, of welke huizen men al dan niet met bijhorend land in eigendom of pacht had.
Bij deze laatste groep duiden de namen tevens aan waar men woonde. (Straatnummers waren immers nog niet ingevoerd!) Dit type naam wordt dan ook wel met de term 'adresnaam' van de herkomstnamen onderscheiden. Herkomstnamen gaan voornamelijk terug op namen van steden, dorpen en landen; adresnamen op microtoponiemen: namen van huizen, velden, waterlopen, straten.

Voorbeelden van adresnamen:
- Van der Heide, Hordijk, Van der Meulen, Nijdam, Verdonk, Van der Werf
- Boerderijnamen in het (noord)oosten van het land eindigend op -ing of -ink: Aalderink, Bruggink, Joling, Lanting, Lieftink, Oonk.
- Andere boerderijnamen als Nijhof, Bronsvoort, Nooitgedagt
- Huizen en herbergen: Bontekoe, Fortuin, Hardebol, Hoppezak, Nagtglas, Spiegel, Van der Wereld.
Tot deze subgroep behoren ook de namen die aan scheepsnamen zijn ontleend.

Zonder (genealogische) achtergrondinformatie kan men familienamen niet zomaar volgens de simpele verdeling van toponiemen hierboven indelen. Men zou bijvoorbeeld kunnen veronderstellen dat de familienaam Hinlopen op de Friese plaatsnaam Hindelopen teruggaat. Het blijkt echter geen herkomstnaam te zijn. Deze naam is immers ontleend aan een huis 'daer Hindelopen uythangt', dus een huis genaamd Hin(de)lopen met de plaatsnaam afgebeeld op een uithangbord.

• Verwant met de herkomstnamen zijn de woonplaatsnamen of adresnamen. Maar in deze categorie wordt niet de voormalige, maar de actuele woonplaats van de naamdrager genoemd, zijn domicilie als het ware. Net zoals de herkomstnamen bevatten ze een topografische aanduiding, die verwijst naar een vast punt in het ruimtelijke referentiekader van een kleinschalige gemeenschap. Dat kan bijvoorbeeld de woning zijn van de naamdrager (zijn huis, kasteel, hoeve, herberg), de landschappelijke sector waarop of waarbij hij woont (een bos, een heideveld, een moeras, een cultuurlandcomplex), of een ander verschijnsel dat dienst doet als ruimtelijk richtpunt (waterlopen, waterovergangen, grenspalen, veldkruisen, stadspoorten, alleenstaande bomen, galgen, uitkijkposten, enzovoort). Zowel herkomstnamen als woonplaatsnamen bevatten dus een aardrijkskundige benaming. Bij de eerste categorie gaat het om namen die al tot vaste plaatsnaam of toponiem waren versteend op het ogenblik dat er bijnamen mee werden gevormd. Het topografische woord aan de oorsprong van woonplaatsnamen kan evengoed al toponymische status hebben gehad, maar de beschrijving van iemands adres kon ook gebeuren aan de hand van uitdrukkingen met de soortnaam voor het werkelijkheidsgegeven waar de persoon gelokaliseerd werd. Zo kan de stamvader van een familie Van der Heijden(n), Van den Heede of Van Hee inderdaad aan of op een heideveld hebben gewoond, maar ook in een gehucht waar alle heide al eerder in cultuurland was omgezet, en dat naar zijn voormalige status de eigennaam Heide of ter Heide(n) droeg. Het enige waar we met zekerheid van uit mogen gaan, is dat de bakermat van de familie gezocht moet worden op een plek die ooit een heide was. (...)
De classificatie van terreinwoorden binnen een bepaalde rubriek (natuurland, cultuurland, bos) is meermaals voor discussie vatbaar. Immers, zoals alle soortnamen staan ook landschappelijke benamingen bloot aan betekenisevoluties, en een woord kan vanuit verschillende betekenisstadia tot plaatsnaam zijn geworden, en vervolgens tot bestanddeel van woonplaatsnamen. Zo heeft de oorspronkelijke natuurlandbenaming veld in tal van dialecten al vroeg de betekenis 'bouwland(complex)' aangenomen, en ging de verkleinvorm veldeke plaatselijk (in Zuid-Oost-Vlaanderen) zelfs een heel specifiek perceelstype aanduiden, nl. een omsloten bouwlandperceel in priv?-exploitatie, bestemd voor de teelt van gewassen die niet onderworpen waren aan de verplichte driejaarlijkse wisselbouw die gold voor de productie van broodgraan. Elders in Vlaanderen heette zo'n perceel bilk, in Brabant blok. Bovendien, als een terreinnaam vanuit de een of andere betekenis tot vaste plaatsnaam is geworden, blijft die in de regel met die plaats verbonden, ook al verandert het benoemde terrein van uitzicht en bestemming. Dat principe van naamsbehoud bij veranderende werkelijkheid verklaart waarom in gebieden waar veld als soortnaam nooit een 'bouwland'-betekenis heeft aangenomen, toch vele cultuurlandcomplexen een 'veld'-naam dragen. We hebben dus vaak geen zekerheid over de aard en het uitzicht van het terrein op het ogenblik dat de naam ervan aanleiding gaf tot bijnamen en familienamen. De stamvader van een familie Van de Velde kan dus zowel in een woeste omgeving hebben gewoond, als bij een uit 'veld' ontgonnen cultuurcomplex, dat toponymisch als veld werd aangeduid. Het is dus beslist onjuist om in elke 'topografische' familienaam de etymologische betekenis van het achterliggende terreinwoord te projecteren.
Familienamen uit hetzelfde topografische grondwoord vertonen heel wat klank-, vorm- en spellingvariatie. Vele ervan zijn immers gefixeerd in hun dialectische gedaante, met regionaal bepaalde klankvarianten als heide/hee, broek/breuk, moes/moos, enz. Morfologisch verschillen namen in hun samenstelling (ze bevatten al of niet een voorzetsel en/of lidwoord), afleiding (verschillende suffixen) of flexie. De morfologische hoofdtypes zijn (zie voor een uitvoerige behandeling 'Van Loon-1980'):
- onverbogen hoofdwoord zonder voorzetselaanloop: Bos
- hoofdwoord met genitiefuitgang: Broeks
- voorzetsel + (al dan niet verbogen) lidwoord + (al of niet verbogen) hoofdwoord: Van de(n) Bos(se)
- voorzetsel alleen: meestal 'van' (= samentrekking van 'van den'): Van Bos, soms een ander voorzetsel, b.v. Ten Bos(se).
- ver- (samentrekking van 'van der') + hoofdwoord: Verkouter
- hoofdwoord + element -man(s): Bosman(s)
- hoofdwoord + suffix -ma: Miedema
[Devos-2001, p 18, 22-23].
• [Ebeling-1993, p 117].
• In de 15e-16e eeuw was het (in Amsterdam) gebruikelijk om iedereen, "'t zij aanzienlijk of gering", aan te duiden met het uithangteken van zijn huis achter zijn naam "zelfs in officieele stukken". Wie geen uithangteken had kon zijn huis niet noemen (al werden er uitgehouwen gevelstenen ingemetseld); in de straten en stegen wemelde het van de uithangborden "en zoo werden de straten als met een houten verhemelte voorzien" [Van Lennep & Ter Gouw-1868, o.a. deel I, p 39, 83].
• [Leendert Brouwer, 'In de Aap gelogeerd. Hoe huis- en herbergnamen achternamen werden', in: Gen. Magazine voor familiegeschiedenis 22 (2016), nr. 4, p. 50-54 (= Brouwer-2016b)].
• Habitational and Topographic Names --- As noted above (in the section of patronymics), in former times surnaming by a patronymic was often supplemented by reference to where the person lived or worked. Thus an innkeeper might be recorded as Joris Willemsz. inden Roscam. In English this would be "George William's s(on) 'in the Horsecomb'", the name of an inn where horses could be groomed (see Roskam). Eventually this practice of naming a person from his current or sometimes former place of residence produced the vast category of inherited habitational or "address" names, a great many of which refer to house names in towns. These house names were frequently indicated by a pictorial sign above the entrance door. One that appeals to everyone's imagination everywhere and has even induced a fairy tale, is that of the (little) man in the moon, often depicted with a bunch of branches on his back. Several houses are known with a signboard of this "Mannetje van de Maan" from which derive the surnames 't Mannetje (i.e. 'the little man') and Maan (i.e. 'moon'). The name Halvemaan also exists, referring to a signboard with a picture of the half-moon.
Habitational names also originated in the names of the farms where their original bearers resided. It is usually supposed that Roosevelt, the name of two (blood-related) American presidents, comes from the name of a farm in Tholen, Zeeland, although this is not proven. Such farms were often named from a defining feature of the landscape. At first sight Rozenveld (the modern form of Ro(o)sevelt) can be interpreted as a 'field or area of open land growing with (wild) roses or perhaps with poppies (in Dutch: klaprozen)'. But roos- in fieldnames often goes back to ancient Germanic rausa-, Middle Dutch rusch- 'rush, reed'. Roosevelt might therefore be a variant of the Flemish name Van Ruys(s)evelt, from a farm name in Brabant denoting a 'field growing with rushes'. The surname was taken to New Amsterdam (now New York), by Claes Maertensz. van 't Rosevelt in 1649.
It is in principle difficult to distinguish this type of surname from topographic surnames, where the reference is to the feature rather than to a place named from it. The name Dijk or Van Dijk (from Middle Dutch van den Dike) is a classic instance. It could theoretically be a topographic name for someone who lived by any one of the thousands of dikes in the Netherlands, but all the evidence suggests that it is usually a habitational name for someone who lived at one of the farms or villages in the Netherlands and Flanders named with dijk, either in simplex form or as part of a compound place-name. Jacob Egbers van Dijk, for example, took his name from the Hasselterdijk, but van Dijk was sufficient to be used as his habitational or "address" name. The diphthong -ij- is characteristically Dutch, with the same pronunciation as -ei-, that is [ i]. It is one of the most common surnames in the Low Countries, and was borne by many migrants to the US,where it is mostly spelled Van Dyke and pronounced in the American English way as /da k/. Jan Thomassen van Dijk, the first mayor of New Utrecht, Long Island (now part of Brooklyn, NY), came from Amsterdam to North America in 1652.
Surnames with Van are particularly common in North Brabant and Gelderland, often in combination with the article de('the'), which is usually in the declined form den or der. There are many families with these names in North America, for example Van Meter (= Dutch Van Meeteren), Vandenberg (= Van den Berg), Van Over (= Van den Oever), Van Pelt, Vandiver (= Van de Veer), Vanderpool (= Van der Poel), Van Sickle, Van Buren, Van Buskirk (referring to Buiskerke in Zeeland; this family name no longer exists in the Netherlands), Van Houten, Van Ness, Vannoy (= Van Ooijen), Van Cleave (= Van Kleef), Van Hoose (= Van Huis), Van Dusen (= Van der Dussen), Van Zandt and Van Zant, Van Landingham (= Van Landeghem, referring to Landeghem near Ghent), Van Deventer, and so on. Three of the most frequent Van names in America refer to a dwelling place in an angle of land or bend of a river: Van Horn, Van Winkle, and Van Hook. In many instances van der has been contracted to ver-, for instance in Vermolen and the phonetic variant Vermeulen, which is the most common Dutch Ver- name in America. They are variants of Van der Molen and Van der Meulen and denoted someone who lived at a mill, presumably the miller himself. Almost as common in the US and the Netherlands are Vermeer, Verhagen, Verburg, and Versteeg. Van is by no means the only preposition to be found in Dutch habitational and topographic names. The family name Updike can be traced to the Dutch name Opdijk ('on (the) dike'; compare Opdycke). A particularly significant one is te 'at'. It is widely found in names from the provinces of Overijssel and Gelderland, where it is often fused with den or der into ten and ter. Ten Eyck ('at the oak') is a noteworthy family name in America from the 17th century, although it is now unknown in the Netherlands and Belgium, where its equivalent is Van Eijck or Van Eijk. However, Ten Brink, is a common Dutch name, denoting one who lives at the village square. Ten Pas derives from the Dutch noun pas, from Latin pascuum 'pasture'. Ter Haar refers to a farm on a ridge with a sandy soil, and Ter Horst to a farm on a hill with shrubbery. Terhune is probably an Americanized form of Ter Huurne, containing a variant of hoorn 'horn, angle, corner'. These are some of the most frequent Te, Ten and Ter names in America [Leendert Brouwer & Peter McClure, 'Dutch family names', in: DAFN (preface of the revised second edition of the Dictionary of American Family Names, edited by Patrick Hanks, to be published by Oxford University Press in 2022 --- https://www.cbgfamilienamen.nl/nfb/documenten/DAFN%202,%20ESSAY,%20Dutch%20names.pdf)].

afkortingen en bibliografische notaties: