Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Arnold
< Arnaud < Arnaud, d'
Arnaud de Calavon
Arnoud
Arnaut
Arnault, d'

verklaring:
Franstalige vorm van de naam Arnold, die in Nederland vooral afkomstig is uit de Nederlandse Antillen.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Arnaud', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
patroniem adresnaam
Franse naam Antilliaanse naam

Veel voornamen die aan de basis van patroniemen liggen worden verklaard in de
Nederlandse Voornamenbank

specifieke componenten:

geen affix

Antilliaanse naam

Nummer één van de Antilliaanse familienamen in Nederland is de naam Martina. Die naam is illustratief voor de situatie waarin de familienamen op Curaçao, Aruba en de andere eilanden ontstaan zijn. Hoewel die situatie uiteraard vergelijkbaar is met die in Suriname, omdat de slavernij in beide koloniën in 1863 is afgeschaft en een groot deel van de bevolking vervolgens ten behoeve van de burgerlijke stand een familienaam aannam, is in de Antillen de nadruk duidelijk op een ander type achternamen komen te liggen: op de Antillen zijn vooral zogenaamde metroniemen aangenomen. Een metroniem of moedersnaam verwijst als pendant van het patroniem (vadersnaam), dat ontleend is aan de voornaam van een voorvader, naar de voornaam van een voormoeder. In de naamgeving komen saillant de matrifocale familieverhoudingen tot uitdrukking. De slavengemeenschappen concentreerden zich rondom de moeders. Kinderen werden veelal naar hun moeder vernoemd. Dit vernoemingssysteem beperkte zich tot plaatsing van de voornaam van de (ongehuwde) moeder achter de eigen voornaam (moeder had immers geen achternaam). Er was geen sprake van een naamkundige ontwikkeling zoals dat bijvoorbeeld bij het patroniem Jansen uit Janssone heeft plaatsgevonden. De voornaam of de doopnaam van moeder werd in zijn geheel overgenomen zonder enige verbuiging of toevoeging. Wel werd het voorzetsel 'van' gebruikt (bijvoorbeeld in de constructie Simon van Martina), maar dit voorzetsel werd niet als onderdeel van de naam beschouwd.
In de aldus verkregen familienaam Martina zien we overigens ook het kenmerk van de Caribisch-katholieke dominantie terug. Zo zijn er vele familienamen aan Spaans-Portugese voornamen ontleend; in Nederland herkennen we momenteel onder andere de namen Martha, Maria, Cicilia, Isenia, Francisca, Paulina, Marchena, Mercera, Mathilda, Mercelina, Angela, Juliana, Manuela, Rosalia en Felicia als zodanig. Maar puur Hollandse meisjesnamen zien we ook terug als huidige familienaam, al kan de spelling ervan ons nu vreemd toeschijnen, zoals bij de familenamen Cijntje (Sientje) en de spellingsvariant Seintje. Verder te noemen zijn de Antilliaanse familienamen Pieternella, Elizabeth, Gijsbertha, Geertruida, Roosje en Jantje (met de variant Jantji). In naamvormen als Ansjeliena (naast Angelina) en Bregieta (naast Brigitta) zien we dat de ambtenaren er soms een Nederlands tintje aan gaven.
Het veel voorkomen van de voornaam Martina is wellicht te danken aan de populariteit van de missionaris Martinus Niewindt (Amsterdam 1796-Willemstad 1860), de eerste 'apostolische vicaris' van Curaçao - en niet aan de naam van het eiland Sint Maarten / Saint Martin, dat eertijds naar de heilige Martinus van Tours werd genoemd. Ook andere afleidingen van de Christelijke doopnaam Martinus komen veel voor als familienaam. De familienaam Martis is de tweede Antilliaanse familienaam in Nederland en ook Martinus, Martes, Martijn en Martien komen veel voor. Deze namen tonen gelijk aan dat er onder de Antilliaanse familienamen ook veel patroniemen zijn. Ze presenteren zich net als bij de metroniemen als nevenschikking, dus zonder achtervoegsel. Enkele sprekende uitzonderingen daargelaten, zoals de familienaam Martiszoon. Vergelijk ten aanzien van dit type de Surinaamse familienamen Augustuszoon, Albertzoon, Jozefzoon, Mendeszoon en Vigelandzoon. Ook Antilliaans zijn de versteende of archaïsche naamvormen Pietersz, Evertsz en Dirksz. Opmerkelijke Antilliaanse patroniemen zijn de familienamen Frans, Pieter, Albertus, Girigorie (uit Gregory; vergelijk Girigoria), Nicolaas, Christiaan, Balentien (uit Valentin; vergelijk Balentina), Job en Jacobus.
Patroniemen die 'voor Nederlandse begrippen' eveneens zeer Antilliaans zijn, maar ook bekende Engelse of Spaans-Portugeze namen zijn, zijn onder andere de familenamen Richardson, Henriquez, Alberto, Ricardo en Ignacio. Talloze avonturiers uit diverse landen hebben zich, al dan niet daartoe genoodzaakt, in de Caraïben gevestigd en een aantal van hun namen vinden we met meer dan 100 afstammelingen in Nederland terug. We kunnen dit rijtje familienamen opsommen: Maduro, Zimmerman, Janga en Wanga, Leito, Gumbs, Curiel, Doran, Obispo, Rojer, Arrindell, Hodge, Melfor en Wawoe - hieronder treffen we dus werkelijk nog namen van Afrikaanse oorsprong. De familienamen Coffie, Kwidama en Kirindongo kunnen hier mogelijk ook toe gerekend worden. Opmerkelijk omdat Afrikaanse tot slaaf gemaakten bij hun kerstening immers christelijke doopnamen kregen. Het Papiamento als spreektaal is zeker van invloed geweest. Vergelijk namen als Girigorie voor Gregorius, Jantji en Daantji naast Jantje en Daantje, Obispo = bisschop, en moeilijk te verklaren namen als Djaoen, Goeloe, Jamanika, Osepa en Bito. Een van de opmerkelijkste Antilliaanse namen is misschien wel de nu ook in Nederland veel voorkomende familienaam Sambo. Sambo wordt als een racistische scheldnaam beschouwd. De betekenis die op de familienaam betrekking heeft is: benaming voor een kind van een zwarte vrouw en een mulat (een kind van een zwarte en een blanke ouder) of van een zwarte man en een mulattin. Deze naam brengt illustratief de vermenging tot uitdrukking die in de koloniën bepaald niet uitzonderlijk was, maar wel werd geregistreerd.
Ten slotte kunnen we nog de namen van Nederlandse herkomst aanstippen, die in de Antillen vruchtbaar zijn gebleken, zoals Tromp, Jansen, Willems en Van Putten. Een aantal daarvan kunnen nadrukkelijk als Antilliaans worden beschouwd, omdat ze (in de betreffende naamvorm) nog maar weinig of niet in Nederland voorkwamen. De bekendste naam is misschien wel de familienaam Croes, welke familie zich vooral op Aruba heeft genesteld. Vrijwel onbekend in Nederland tot de Antilliaanse remigratie waren de namen Winklaar, Hooi, Daal, De Windt, Geerman, Koeiman, Windster, Vrutaal, Thielman, De Palm, Werleman, Schoop, Boekhoudt, Meulens, Eisden, Schotborg, Paesch, Rasmijn, Plantijn, Koeks, Scharbaai, Roosberg en Toppenberg. Hieronder zullen zeker namen zijn die pas bij de Emancipatie van 1863 gecreëerd zijn. Hieraan kunnen meer typische namen toegevoegd worden, zoals we die ook uit Suriname kennen: Kleinmoedig, Vlijt, Vlijtig, Ridderstap, Ridderstaat, Blijden, Apostel, Winterdal, Welvaart, Flaneur, Sparen, Goedgedrag, Trouwloon, Van Eer, Blindeling, Loopstok, Strijdhaftig, Adoptie, Boezem, Scherptong, Kibbelaar. Sommige namen zinspelen op de naam van een voormalige slaveneigenaar. Een goed voorbeeld is de naam Rooispruit voor een kind of spruit van een man genaamd Rojer.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Antilliaanse naam', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...

• "Slaven hadden geen familienaam, zoals uit deze registers (de slavenregisters) duidelijk wordt. In de dagelijkse omgang bestond de gewoonte kinderen te identificeren in combinatie met hun moedersnaam zoals 'Maria van Martha' of 'Anna Anthonia van Francisca'. Naderhand zien we hoe deze gewoonte gestandaardiseerd werd door kinderen bij de burgerlijke stand in te schrijven met als familienaam de voornaam van de moeder. Daarom bestaan ook tegenwoordig nog naar verhouding veel meisjesnamen als familienaam, bij voorbeeld Elisabeth, Eleonora, Felipa, Maria, Martha, Martina of Petrona. (...) Hoewel tijdens de gehele negentiende eeuw geen eenheid in het spellen van namen bestond, tonen de notariële protocollen na 1863 hoe verwarrend de nieuwe naamgeving voor de voormalige slaven geweest moet zijn. Veel van de vrijgemaakten wisten natuurlijk heel goed wie hun moeder was, sommigen wisten ook wie hun vader was. Dat bij de naamgeving in 1863 in sommige gevallen absoluut willekeurig te werk was gegaan, blijkt uit akten die na het jaar 1863 zijn opgesteld. In deze schriftstukken kunnen we bij voorbeeld lezen: 'Maria Abad zich noemende Isabelle Evertsz', 'Maria Agnes zich noemende Maria Ignees Lopez', (...) 'Cathalina Martha zich noemende Carolina Maduro' (...) Dat in het verleden het katholieke geloof van de ouders een grote rol speelde bij de keuze van een naam voor de kinderen, is evident als men de geboorteaktes van de burgerlijke stand uit de negentiende eeuw doorneemt. (...) Een andere topper was de voornaam Martinus. In ieder gezin was wel een Martinus, Martin, Martijn, Martien, Martina, Martiena, Marty, Marti, Martis of Martes te vinden. Als men weet dat de heilige Martinus volgens de legende zijn bezit deelde met de armen, dan zou de keuze van de katholieke ouders voor deze doopnaam een symbool geweest kunnen zijn voor hun eigen noden en hun hoop op een helpende hand. Nadat Martinus Niewindt in 1824 op Curaçao arriveerde en later tot eerste bisschop werd benoemd, nam de populariteit van deze voornaam alleen maar toe. (...) Matrifocale gezinnen. De ongehuwde moeder als centrale kern vormde samen met haar kinderen een gezin, eventueel aangevuld met een grootmoeder of broers en zusters van de moeder. Vaak leefden meerdere generaties onder een dak of op hetzelfde erf. Dat valt vooral op in het begin van de negentiende eeuw, toen vrije vrouwen van Afro-Caribische afkomst, soms wel en soms niet getrouwd, van verschillende mannen kinderen kregen. Men kan de oorsprong van deze ongebonden samenlevingsvorm zien in de slavernij, toen partners uit elkaar werden gerukt door willekeurige verkoop" [Monsanto-2009, p 57, 61, 88, 90 (enz.) = Christel Monsanto: Roots Karibense. Carabische wortels. Voorouders van verre, deel 4: De Nederlandse Antillen. Den Haag, Centraal Bureau voor Genealogie, 2009].
• [M.D. Latour, 'Familienamen op Curaçao', in: De West-Indische Gids 18 (1936-37), p. 195-199 --- https://www.jstor.org/stable/41848083].
• [Krafft-1951 = A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandsche Antillen, Den Haag 1951].
• [Isaac Samuel Emmanuel & Suzanne A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles, Cincinnati 1970].
• [Johan Gerard Schermer, Bonaire families --- http://www.bonairefamily.com/index.htm].
• Dutch maritime supremacy from the 16th century onward enabled the Dutch East India Company and the Dutch West India Company to establish many trading posts and a few colonial territories in far-flung parts of the world, often in competition with Spanish, Portuguese, and English rivals. (...) From the Dutch or Netherlands Antilles, now known as the Caribbean Netherlands, has come Martina, which illustrates a Catholic as well as a matrifocal dominance among the population, arising in part from immigration from other Caribbean islands and Latin America. The given names of unmarried mothers were often adopted as family names for their children. As in Suriname, there are also Dutch-language coinages such as Windster ('wind star'), Kleinmoedig ('fainthearted'), Toppenberg ('mountain top'), Vlijt ('diligence'), Trouwloon ('reliable wages'), Loopstok ('walking stick'), Strijdhaftig ('militant'), Scherptong ('sharp tongue'), and Kibbelaar ('quibbler') [Leendert Brouwer & Peter McClure, 'Dutch Names from Former Colonies', in: DAFN].

afkortingen en bibliografische notaties: