Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Woude, van der < Woudstra
Wouden, van der
Wout, van 't
Woud, van der
Wolde, van de / der

verklaring:
De familienaam Van der Woude, in de Middeleeuwen veelal nog 'Van den Woude' met de oorspronkelijke datiefverbuiging van het onzijdig lidwoord, geeft aan dat de eerste voorouders met deze naam op een plek woonden die bekend stond als (de/het) Woud. Vergelijk Jacob van den Woude, heer van Woude, in 1302 overleden en begraven in Jacobswoude; het betreft een gebied met nederzetting gelegen ter plaatse van de gemeente Kaag en Braassem.
De oorspronkelijke betekenis van woud, of 'wald' in het Duits, was 'uitgestrekte wildernis, bosgebied, onontgonnen landschap'; in Holland en andere noordelijke streken ontwikkelde het woord woud zich evenwel tot een benaming voor een aangeplant bos op vochtig terrein.
Dat Van der Woude de meest voorkomende naamvorm is van de woud- en wold-namen in Nederland is vooral te danken aan de frequentie ervan in Friesland, alwaar deze familienaam door meerdere Friezen anno 1811 is aangenomen. Ook al is het de standaard-Nederlandse vorm ten opzichte van het Friese origineel. De Friese naamsaannemingen waren vaak gebaseerd op herkomst uit een plaats met een samengestelde naam, waarvan het tweede lid -woud(en) betrof. Zo namen gezinsleden van een familie uit Veenwouden de familienamen Woudstra en Van der Woude aan; de Friese naam is Feanwâlden. Elders in Noordoost-Nederland komen overeenkomstig de regionale woordvorm 'wold' voor 'woud' ook de naamvormen Ten Wolde, Van der Wolde en Wolthuis veel voor.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Van der Woude', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
adresnaam

specifieke componenten:

van der

van de / den / der

Veel toponymische familienamen worden ingeleid met een voorzetsel, meestal 'van', en het bepaald lidwoord 'de' of 'het'. Zij duiden aan dat de voorouder die deze naam kreeg 'van de XYZ' kwam en dat zij daar wellicht woonachtig waren.
Grammaticaal werd het lidwoord veelal in de datief of derde naamval verbogen volgens het geslacht van het zelfstandig naamwoord waar het toponiem op gebaseerd was. Zo is het zelfstandig naamwoord berg een mannelijk woord met het gevolg dat de aan het toponiem De Berg ontleende familienaam Van den Berg is. Een kleine minderheid van de naamdragers heeft de vorm Van der Berg. Mogelijk heeft men bij de naamgeving het woord berg in het plaatselijk spraakgebruik toch als vrouwelijk beschouwd (vrouwelijke dativering van 'de' resulteert in 'der'), of deze afwijkende naamvorm is mettertijd ontstaan toen naamsvalsverbuigingen in het spraakgebruik niet meer aan de orde waren en men zich daarin vergiste. Eveneens een minderheid is met de naamvorm Van de Berg geregistreerd; flectie (verbuiging) was daarbij niet meer van betekenis, deze naamvorm luidde de moderne tijd zonder naamvallen in.

• "In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt. Van den Berg b.v. en Ten Berge, omdat het woord berg mannelik is. En Van der Werf en Van der Wal en Ter Stege, omdat de woorden werf, wal en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar altijd is dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woord wal in de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de taalregels moest. En naar myne meening heeft de volksmond hier al weer gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woord wal komt in sommigen onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen De Walle en Van der Walle stemmen hier ook mede overeen. [...] De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en Van den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamen Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter Burg en Ter Hazeborg zijn met dien regel in strijd" [Winkler-1885, p 267].
• "Een laatste opmerkelijk verschil tussen de Vlaamse en de Nederlandse familienamen treedt op bij woonplaatsnamen die met Van den/der/de + substantief in de datief gevormd zijn. In het Nederlands is de meest gebruikelijke manier om van een plaatsnaam een familienaam te vormen, voorvoeging van de prepositie 'van' + geflecteerd lidwoord. Het Duits heeft in de regel juxtaponerende vormen zoals Berg, Busch. Soms is de datiefuitgang nog behouden (familienamen Berge, Busche), maar de voorafgaande prepositie is hierbij doorgaans verdwenen. (...) De flexie-uitgang -e is bij deze namen in Nederland zo goed als verdwenen, in westelijk Vlaanderen daarentegen is de datiefuitgang behouden. De vormen Vandenbossche reiken er zelfs verder naar het oosten dan de dialectale apocopegrens: dit bevestigt onze eerdere vaststelling bij de soortnamen dat de sjwa als casusuitgang langer behouden bleef dan als deel van de grondvorm. De familienamen geven hier een oudere taalfase weer dan de dialectale soortnamen." [Ann Marynissen, 'Taalverandering tussen evolutie en normering. De e-apocope als breuklijn tussen het Nederlands en het Duits', in: Nederlandse Taalkunde 14 (2009), nr 3, p 250].

afkortingen en bibliografische notaties: