Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Bak
< Bak, den < Heijne den Bak
Bak, de

kenmerken:
beroepsnaam

specifieke componenten:

den

den

In Zuid-Holland, vooral in Rotterdam en omgeving, vinden we een aantal namen die worden ingeleid door het lidwoord den, het bepaalde lidwoord dat een oorspronkelijke mannelijke genus-n bevat. Familienamen met het lidwoord den zijn in feite het gevolg van het naamvalverlies in de middeleeuwen. Door de teloorgang van het naamvalsysteem kon het accusatieve den bij masculiene subjectieven in de nominatief verschijnen. Dat wil zeggen dat het lidwoord voor een zelfstandig naamwoord in onderwerpspositie de vorm van de lijdend voorwerpspositie kon aannemen.
We horen dit den nog in dialecten onder de grote rivieren. Het is opvallend dat de familienamen met Den nu juist geconcentreerd zijn in het overgangsgebied, in het mondingsgebied van deze rivieren; in het zuiden komen slechts enkele vormen voor.
Het lidwoord den staat alleen voor namen die beginnen met een klinker, een h, d, b, t of in enkele gevallen een r: Den Ouden, Den Hartog, Den Dulk, Den Boer, Den Toom, Den Ridder, enz. Ze moeten in de 16e en 17e eeuw ontstaan zijn. Daarom wordt wel verklaard waarom deze verbogen lidwoordsvorm niet in Brabantse en Vlaamse familienamen voorkomt: het proces van naamvorming vond daar in de vroegere periode plaats toen de nominatiefvorm van het lidwoord 'de' nog onderscheiden werd van 'den' in de accusatief.
We kunnen echter constateren dat in het Nederlandse rivierengebied achternamen in de 16e eeuw ook al erfelijk konden zijn, maar nog aan vormverandering onderhevig waren. Bij 16e eeuwse generaties van een familie Den Hartog uit Tiel verscheen de naam bijvoorbeeld nog als die Hartogh, die Hertoch en die Hertich.
Overigens zijn ook in het Nederlandse Den-namengebied de de-varianten frequent aanwezig, maar hier getuigen zij er eenvoudigweg van dat men met zijn tijd meeging en dat men zich aanpaste aan het moderne systeem, waarin men nog slechts gebruik ging maken van de bepaalde lidwoorden de en het, zonder enige referentie aan een onderscheid tussen van origine mannelijke en vrouwelijke woorden.
De taalkundige G. Geerts gaf in zijn beschouwing van genus en geslacht in de Gouden Eeuw aan, dat de -n-vorm van de adnominale woorden in het 17e eeuwse Holland geen casusmorfeem meer was en evenmin nog genusindicator. De anlaut van het volgende woord is van betekenis voor het gebruik. Niettemin kwijnt de -n weg. "Den leidt in het zuiden van Holland een iets zekerder bestaan dan in het noorden. (...) Naarmate men meer naar het noorden toe gaat, vervalt m.i. eerst de r als den-behoudende anlaut, vervolgens de b en tenslotte ook d en t. In Noord-Holland komt den zelfs niet meer voor vokalen voor. In chronologische zin is de evolutie in dezelfde richting verlopen".
Met behulp van de dialectgeografie kan worden geconstateerd, dat den nog niet uit de Hollandse dialecten weg is. Als we het lidwoord den in nominatieve positie uit de Reeks Nederlandse Dialectatlassen cartograferen, blijkt dat de inwoners van enkele boven de Lek gelegen plaatsen den vóór de woorden duivel en dominee gebruikten, dus den vóór d-anlaut. De Lek is echter de noordgrens voor het gebruik van den voor b- en t-anlaut, in concreto bij de woorden bok, (bier)brouwer en timmerman/ tummerman.

We tellen in Nederland ongeveer 200 Den-namen, die halverwege de 20ste eeuw door 39.000 personen werden gedragen. In Zuid-Holland woonden meer dan 23.000 Den-mensen, in Noord-Holland 4200, in Noord-Brabant 3600, in Utrecht 2500, in Gelderland 2400, in Zeeland 1950 en in de overige provincies is dit type naam zeldzaam.
De Den-namen kunnen in verschillende betekeniscategorieën worden ingedeeld.
Beroepsnamen: Den Boer (ZH, Zl); Den Dekker (NB, NH, Zl, ZH); Den Boef (ZH) en Den Boeft (Zl) - mnl. boef, boeve 'knecht'; Den Outer en Den Houter (ZH)? - een houter is iemand die eikenhakhout ontbast (voor leerlooierijen en bakkerijen); Den Herder en Den Harder (Gl, ZH); Den Drijver (ZH); Den Heijer (ZH) - de werkman die heit, palen in de grond slaat voor een fundering, of betreft het bij deze Scheveningse naam iemand afkomstig uit de nabijgelegen kustdorpen Ter Heijde (gemeente Monster) of Berkheij (voormalige nederzetting ter hoogte van Wassenaar)?; Den Bakker (ZH, NB) en Den Bekker (Gl, NB); Den Tuinder (ZH); Den Boesterd en Den Boestert (Ut) - < bootser/boetser = grappenmaker?; Den Bezemer (ZH); Den Bleijker (Lb, Zl), Den Blijker (ZH), Den Bleeker (ZH) en Den Bleker (ZH); Den Baas (Ut, ZH); Den Bode (Ut); Den Brouwer (ZH); Den Aantrekker (ZH); Den Buitelaar (ZH).
Bijnamen op basis van een adjectief, veelal evenals het lidwoord met een slot -n: Den Ouden (ZH, NB, NH, Ut), Den Oudsten (ZH, Ut) en Den Oude (ZH, NH); Den Besten (ZH, Gl, Ut); Den Breejen en Den Breeijen (ZH); Den Dunnen (ZH, NB); Den Braven en Den Brave (ZH); Den Adel (ZH, Gl) en Den Edel (ZH); Den Heeten (ZH) en Den Heten (Gl); Den Rooijen (ZH); Den Dikken (ZH); Den Blaauwen (ZH); Den Eerzamen (ZH); Den Rappen (Asd). Voorzichtig zet ik ook de Scheveningse naam Den Dulk in dit rijtje: een bijnaam uit mnl. dullike = 'dwaselijk, op een domme, malle, dwaze wijze'? Of is bij deze naam sprake van een klankvariant van 'dolk': persoon met een dergelijk steekwapen of wonend 'in den Dulk/Dolk'?
Een groot deel van de Den-namen komt uit de huisnamensfeer, waarbij echter de verschillende mogelijkheden van bijnaamgeving op basis van appellatieven niet hoeven te worden uitgesloten. Den Hartog (ZH, Gl, Ut), de meest voorkomende Den-naam, met varianten als Den Hertog (ZH, NH, Ut), Den Hartigh (ZH, NH), Den Hartogh (ZH, Ut, Gl) en Den Hartoog (Ut), kan in deze categorie worden ingedeeld. Men kan zich voorstellen dat deze naam naar een huis- of herbergnaam 'De Hertog van Gelder' verwijst. Maar ook een dienstverband bij of een andere relatie met een hertog kan in deze naam tot uitdrukking gebracht zijn. Men zou in dat geval kunnen denken aan nakomelingen van een onecht kind uit hertogelijke kringen of bijvoorbeeld aan de beheerder van het jachthuis van de hertog (het Hertogenhuis).
Onder de huisnamen, of eventuele (beroeps)bijnamen, treffen we verschillende diernamen aan: Den Haan (ZH, Zl); Den Otter (NB, ZH); Den Uijl (ZH, Ut) en Den Uil (ZH); Den Daas (Ut, ZH)? - Debrabandere (1993) brengt de naam Daas eenvoudigweg in verband met de betekenis daas = 'paardenvlieg': bijnaam voor een druk persoon; deze naam is dan synoniem met Den Breems (ZH), eveneens een soort vlieg behorend tot de familie der dazen of paardenvliegen, zo genoemd naar haar brommend, gonzend geluid; Den Os (ZH, Asd); Den Exter (ZH, NB, Zl); Den Haring (ZH), Den Harink (Asd) en Den Haerinck (Zl); Den Arend (ZH); Den Hengst (ZH); Den Draak (ZH); Den Hond (ZH); Den Haas (ZH); Den Braasem en Den Brasem (ZH); Den Das (NH); Den Baars (ZH); Den Beer (Zl, ZH); Den Bok (Ut, NB); Den Duijf (ZH).
Als niet dierlijke adresnamen of (beroeps)bijnamen kunnen gelden: Den Hoed en Den Hoedt (ZH); Den Toom (ZH). Een specifieke beroepsbijnaam is Den Butter, en misschien ook Den Bouter, duidend op een boterboer.
De vierde opmerkelijke groep onder de Den-namen bestaat uit herkomstnamen: Den Hollander (ZH, NB, Zl, NH); Den Braber (ZH, Zl, NB); Den Heijer? (zie boven); Den Engelsman (Zl, ZH), Den Engelse (NB, ZH, NH) en Den Engelsen (NB, ZH); Den Outer en Den Houter? (zie boven); Den Houdijker (Ut) - van de Hou(t)dijk te Geestdorp boven Woerden?; Den Turk (ZH, NH); Den Hooglander (Zl, Asd); Den Ottolander (ZH) en Den Ottelander (Asd, Rtd); (Van Goor) den Oosterlingh (NH); Den Dijker (ZH, Ut); Den Oudendammer (NH, Rtd); Den Duytsen (ZH); Den Bremer (NH); Den Hagenaar (Rtd); Den Eilander.

* Loon van-1989, p 211: "Het chronologisch verschil in het opkomen van den bij zaaknamen en agentia verklaart ook, waarom den niet voorkomt in Zuidnederlandse familienamen met inleidend lidwoord (De Backer, De Bock, enz.). Het gros van de Zuidnederlandse familienamen was namelijk reeds erfelijk geworden in de late middeleeuwen, op een ogenblik dus dat een den nominatief bij persoonsaanduidingen nog uitgesloten was." Vgl. Marynissen-1995, p 156-159.

• [Brouwer-2001, p 194].

afkortingen en bibliografische notaties: