Nederlandse Familienamenbank |
|
Bos, van den / der |
< | Hout, van den / der | < |
Hout, van Houtman Houten, van den Hout, in 't Elshout, van den |
naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
| • Rutgher vanden Hout, 1335 [Schepenen Sint-Oedenrode 1311-1550, p 54]. • Jan uten Houte, 1356 [P.W. Brooijmans, 'Jan uten Houte, de stichter van het Ettense gasthuis en zijn zegel', in: Jan uten Houte 1947-1977, Etten-Leur 1977, p 11, 18; vgl. Wim Vroom, 'Kasteel Van den Houte', in: Het centrumplan van Etten-Leur, Etten-Leur 2005, p 7]. • Van den Hout < Du Bois, Franse immigrant 1655 [D.F. Goudriaan, 'Soms blijft het tobben', in: Gedenkboek 1948-1978 afdeling Kennemerland NGV, ..., p 81]. • "Het oudste woord voor bos in onze taal is hout. We vinden het terug in namen voor uitgestrekte bosgebieden die in de vroege Middeleeuwen een belangrijke component vormden van het natuurland. Familienamen met hout en zijn regionale varianten hoet (West-Vlaams) en holt (in de oostelijke dialecten), komen veelvuldig voor onder diverse gedaanten, onder meer Hout, (ten) Holt(e), Van (den) Hout(te)/Haut(te)/Haudt/Hoet/Holt, Op 't Holt, In 't Hout/Holt en Houtman(s), voor zover dat laatste niet een beroepsnaam is voor de timmerman" [Devos-2001, p 49]. | |
| • Hout, van (den); van (den) Houte(n), van (den/der) Houtte, van (den) Houdt, van Houts, van (den) Haut(t)e, van Haudt, van (den) Hauten, Hout, van Hoet, van Hoed: Verspreide PlN Hout, ten Houte: bos. Vgl. Dubois. 1252 Colinum de Houte, Har. (DEBR. 1980); 1262 Balduinus de Houte, Wijtschate (DF); 1326 Jan van den Houte, Ip. (BEELE). [WFB2] |
|
afkortingen en bibliografische notaties: |
website: |
