Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Boom, van de / den / der
< Boomen, van den < Bomen, van den

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• "(De hoeve Ten Boomen) ...en werd in de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw steeds gepacht door de familie Ba(e)ckermans die zich naar de hoeve Van den Boomen is gaan noemen" [W. van Heugten, 'De bezittingen van de abdij Postel onder Lierop', in: Lierop 'n beeld van een dorp, Lierop 1989, p 46].
• "Ze ontleent haar naam aan een pachthoeve, welke is gelegen onder Lierop in het gehucht Ten Boomen." Enz. [A. Vissers, 'Van Scusters naar Van den Boomen', in: GTOB 13 (1998), nr 3, p 101].
• Martinus v.d. Boomen (Son 1793-Boxtel 1869) [André Schoones & Jos van Thiel, 'Kwartierblad van de familie Den Otter-Raaijmakers', in: Het Griensvenneke 37 (2012), nr 2, p 4-12].
• Boom, van (den); van den Boome(n), van den Bum, van (der) Bom, Verbomme, van (der) Boon, van (de) Bon, van den Bon(ne):  PlN Boom (A): 1374 ten Boem (MANSION); den/ten Boom in Herzele, St.-L.-Esse (OV), Middelburg (Z), St.-Kruis, Poperinge (DF II). Huisnaam De Boom, b.v. in Ip. in 1289. 1377 Jan van den Bome, Ip. (BEELE); 1383 Heinric van den Bome, Hulst (DEBR. 1999); 1398 Jan van den Boenne, Oostrozebeke (DEBR. 1970); 1452 Pauwels van Boome, Aarts. (MAR.); ±1500 Lowyc van den Bonne, Mech. (INSTALLE); 1649 Baltazar van den Bon, Bg. (MARICHAL).  [WFB2]

afkortingen en bibliografische notaties: