Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Schouten < Scholten
Schoute
Schuiten
Schoutens
Smits Schouten

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• De familienaam Scholten en zijn tegenhanger Schouten hangen etymologisch samen met 'schout' en de varianten die dat woord heeft gekend. Uiteindelijk hangt de beroepsnaam schout weer samen met schuld: schuld + heten (Etym. Wb. De Vries, p 327). In elk geval is de consonant l oorspronkelijk. Zoals bekend heeft in bepaalde delen van het Nederlandse taalgebied de combinatie achter-vocaal + l een vocalisering van de l ondergaan, als die gevolgd werd door een dentaal. De geografie van Schouten-Scholten komt overeen met de isoglosse koud-kold [J. Stroop, 'Namen, appellatieven en fonologie', in: Taal en Tongval 45 (1993), nr 1, p 20-25].
• "Het schoutambt was een zware en diverse taak. De schout was verantwoordelijk voor de openbare orde en tevens justieel aanklager, een soort officier van justitie" [M. Hell, '"Kennen, respecteren ende gehoorsamen". Amsterdamse schouten en hun ambt', in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 89 (1997), p 11-42].
• [M. van Dijk, 'Het ambt van schout van de hoofdschepenbank Heerlen in de achttiende eeuw', in: Het Land van Herle 45 (1995), nr 4, p 129].
• Jhans Scouten, rekening van de inkomsten van Amstelland 1308; Jhans Scoutekins, idem [Rek. Grafelijkheid van Holland-1, p 10, 12].
• Willem Gijsbert Schoutenzz, Nieuwveen 1368; zoon van Gijsbert Dirk Schoutens; zoon van Dirk die Scout [J.C. Kort, 'Grafelijke lenen in Rijnland 1222-1650', in: OV44 (1989), p 357].
• Joncfrouwe Belye Gijsbert Scouten wiif mbt. land te Langbroek [Leenmannen Utrecht 1379, p 47].
• Claes Jan Scouten zoon, ivm. land te Rijswijk, 1440 (archief van het klooster Bethanië in 's-Gravenzande); Willem Jans zoon Scouten, schepen van Den Haag, 1512 (archief van het zusterhuis Sint Maria in Galilee) [Sernee-1920, p 87, 215].
• Aerd Schouten, geb. ca. 1575; vader van Willem Schouten (1600-1678); vader van Jochem Schouten, huw. Heusden 1664; vader van Willem Schouten, huw. Den Bosch 1692; vader van Johannes Ferdinand Schouten, huw. Berlicum 1731, enz. [D. Duimel-Schouten, 'Stamreeks van Willem Schouten', in: Rondom de Plaets 7 (1996), nr 3, p 69].
• Maijcken Cornelis Schouten; dochter van Cornelis Jordens, schout van Brandwijk en Gijbeland 1616-47 [Slootweg-1997, p 79].
• Voorouder van een familie Schouten: Arien Theunisz Waert alias Schouten, tot 1658 schout van Ammerstol, nakomeling van Oude Jan Gerritsz, ovl. 1607 [G.J. Schouten, Kroniek van het voor- en nageslacht van Steven Schouten (geboren 1908) onder het motto van Schout tot Schipper, Alphen aan den Rijn 194, vgl. Med. CBG 38 (1984), nr 4, p 4].
• "Dirck Pietersz (Lisse 1661) is waarschijnlijk de zoon van Pieter Cornelis Schouten alias (van) Heemskerk. (...) De naam Schouten voerde hij waarschijnlijk, omdat zijn voorvader, Cornelis Willems van Eemskerk in 1552 en 1565 schout was te Sassenheim." [Hulkenberg-1975, p 46].
• Thomas Willemsz, geb. vermoedelijk Soest ca. 1610, schepen Soest 1649, gehuwd met Gijsbertje Volkense; vader van Volker Thomasz Schouten, huw. Soest 1673 ("Is de familienaam Schouten hier nu afkomstig van de vader of de moeder. Tot nu toe is dit raadsel nog niet opgelost"); vader van Aart Volkertsz Schouten, huw. Soest 1705, enz. [H. van Hees, 'De geschiedenis van de familie Schouten in Eemnes', in: Historische Kring Eemnes 17 (1995), nr 4, p 188-219].
• Mogelijk: Jan Hesselsz Schouten, Heemskerk ca. 1650; zoon van Hessel Jansz Bonckenburg, schout van Heemskerk [A.G. Wierdeman Molendijk-van der Ploeg, 'Uitgeester families met een gemeenschappelijke stamvader' in: GN 44 (1989), p 371].
• "De oudst bekende vermelding van de geslachtsnaam Schouten in deze stamreeks uit de Zwijndrechtse Waard dateert van 1714. In de eerste generaties komt men diverse varianten op de naam tegen, zoals Schout, De Schout, Schoute en Schouten. De laatste schrijfwijze werd ten slotte in dit protestantse geslacht in de loop van de 18e eeuw vastgelegd. De meest voor de hand liggende verklaring omtrent de oorsprong van de naam lijkt te liggen in het ambt van schout: het hoofd van gerecht en politie. Hij was de voorzitter van de plaatselijke schepenbank, te weten schout en schepenen." Genealogie: Meeuwis Willemsz, vestiging te Hendrik-Ido-Ambacht 1689 (huw. aldaar 1689) en in 1690 in Zwijndrecht; Meeuwis werd nimmer in akten met een familienaam aangetroffen, maar zijn kinderen noemden zich (De) Schout(en); vader van Jan Meeuwis Schout(e), ged. Zwijndrecht 1701, huw. aldaar 1723; vader van Meeuwis Schouten, huw. 1749, won. in de Groote Lindt, enz. [J.F. Schouten & K.J. Slijkerman, 'Stamreeks Schouten', in: Zuidhollandse stam- en naamreeksen, Rotterdam 1986, p 218-225; J.F. Schouten, 'Stamreeks Schouten', in: Suindrecht. Periodiek van de Historische Vereniging Zwijndrecht 3 (1985), nr 1, p 30-31].
• Aart Cornelisz Schouten, ovl. 1723 te Amsterdam; zoon van Cornelis Aertsz Schoutjannen; zoon van Aert Cornelis Schoutjannen [A.A. Schouten, 'Familie Schouten - Schoutjannen', in: Oud Nuus 20 (1990), nr 3, p 19].
• Een genealogie begint bij Johannes Hendrikus Schouten, geb. ca. 1745-50, vader van Jan die in 1776 te Groenlo werd gedoopt [J.M. Schouten, Van Scholten naar Schouten. Van Grol tot Agterveld, van Groenlo tot Achtervel, Achterveld 1999; vgl. Gelders Erfgoed (2000), nr 3, p 27].
• Albertus Schouten (Den Dungen 1808-Berlicum 1884) [André Schoones, 'Het kwartierblad van Jan van Zandbeek', in: Het Griensvenneke 36 (2011), nr 2, p 11].
• [T. van der Loos, 'Een geslacht Schouten te Delfshaven', in: OV 39 (1984), p 341].
• [A.M. Verbeek, 'Een geslacht Van 't Hoff', in: OV 38 (1983), p 499, 500].
• [J. Daams, 'Vadersnamen en aardrijkskundige namen', in: Historische Kring Loosdrecht 10 (1983), nr 46, p 61].
• [P. Tack & B. Karsdorp, Geworteld tussen Hollandse en Utrechtse rivieren. Familie Gerrit Nicolaas Schouten & Beatrix de Wit, Leiden/Utrecht 1997].
• [Yvonne Prins, 'Verre verwanten op de Faeröer', in: Gen.CBG 21 (2015), nr 3, p 29].
• [De Vaan-2017, p 489].
• Schout, (de); Schouten(s), (de) Schaut, Schautens, Schoetens, Scholte, -en(s), Schoult, Schult(e), -en, Schülte, Schuld(t), Schol(t)s, -(t)z, -cz, -ze(n), Schulz(e), -zen, -tz(e), -sse, Schülze, Szulc, Szulz, Schultin(g), -ink, de Schoutheete, Schout(t)eet(en(s), Schout(t)eten(s), Schoutet, Schoutede(n), Schoutende, Shoutteten, Scholteden, Schouterden, -dem, Schouteere, -eren(s), Schoutissen, Schaut(t)eet, Schauterden, Schult(h)eis, Schultes(s), Scholtes, -és, -ès, -is(sen), -us, -haus, Scholdis, Scoltus:  Mnl. schoutet(e), Schout(h)eit, schoute, scholte, schulte; Mnd. Schulte, schulthete, D. Schultheiss: schout, gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van een schepenbank. 1144 Eggebertus Scoltetus, Gent (GN); 1245 Willelmo Scoute, Har. (DEBR. 1980); 1251 Henricus Scultetus de Elethe = Henric Scultinc (NAARDING); 1278 Godefridus dictus Scoltere, Heisterbach (CVD); 1281 Lambertus Scoutete, Ip. (BEELE); 1398 Rasse Scoute, Kanegem; 1398 Jan de Scoutete dit Blase, Wev. (DEBR. 1970); 1424 Claeis Blaze dit Schoutetene, Ktr. (DEBR. 1958); 1539 Herman Scholten, Rees-Aw.; 1564 Fred. Scholtes, Worms-Aw. (AP).  [WFB2]
• Schout, Schaut, Schoute, Schouten(s): Mnl. schout(e) `schout, gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van een schepenbank'. D. Schulte, Schulz(e). 1245 Willelmo Scoute, Harelbeke (DEBR. 1980); 1695 Jannetje Marinusse Schout, 's-Gravenpolder (HARTHOORN); 1584 Jacob Schout, Serooskerke. ­ Lit.: J.M. SCHOUT, Het Walcherense geslacht Schout. GN 22 (1967), 267-273.   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties:

website:
http://www.beaufortgenealogie.nl/Beaufort_Genealogie/welkom.html