Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Vries, de < Vries
Vrieze, de
Vriesland, van
Penning de Vries
Vriesde

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Van oudsher stond de Nederlandse kuststreek bekend onder de naam Frisia of Fresia: Friesland. De bewoners ervan heetten Frisiones of Fresiones: Friezen. Ter onderscheiding van het Friese gebied in de tegenwoordige provincies Friesland en Groningen werden de Friezen in Holland ook wel Westfriezen genoemd (Fresiones occidentales). De naam Holland (< Holtland), die aanvankelijk mogelijk de geestgronden aan de monding van de (Oude) Rijn aanduidde, werd in de 11e eeuw gangbaar voor het graafschap dat in deze periode als territoriale en culturele entiteit ontstond. De eerste originele oorkonde waarin het graafschap Holland wordt genoemd, dateert uit 1101 met de vermelding van 'Florentius comes de Hollant' (= Floris II, graaf van Holland van 1091 tot 1121). Daarvoor stonden de leden van de dynastie die sedert de 9e eeuw in deze streek het grafelijk gezag uitoefenden bekend als de Friese graven. Nadat een zoon van de graaf van Vlaanderen in 1063 met Geertruid, de weduwe van Floris I, trouwde, werd hij door de Vlamingen nog Robert de Fries genoemd [J.W.J. Burgers, 'Holland omstreeks 1100. De 11e-eeuwse transformatie van het Westfriese graafschap', in: Holland, regionaal-historisch tijdschrift 31 (1999), nr 4-5, p 199-218].
• [K. Heeroma, 'Drent(h), Groninger, De Vries (en De Jong)', in: DMB17 (1965), p 23].
• [A. Sassen, 'Enkele etymologische opmerkingen over Noordoostnederlandse familienamen (waaronder De Vries)', in: Honderd jaar etymologisch woordenboek van het Nederlands, 's-Gravenhage 1990, p 449-461].
• [Rentenaar-1990, p 76].
• [Ann Marynissen, 'De Brabander, Brabers of Van Brabant? Over de lexicale en grammatische motivering van Nederlandse inwoners- en gebiedsnamen', in: Leuvense Bijdragen 92 (2003), nr 3-4, p 239-255].
• [Nieuwland-1980, p 75].
• [R. Reinsma, 'Vriezen in Friesland', in: Onze Taal 55 (1986), p 107].
• [Brouwer-2018, p 40].
• Waltger de Vries Gerulfszoon, 898, oudere broer van graaf Dirk I; in 914 graaf [C. Hoek, 'Het land langs de benedenloop van de Hollandse IJssel', in: Feestbundel D.P. Blok, Hilversum 1990, p 152; vgl. Luit van der Tuuk & Johanna Maria van Winter, 'Rondom Egmond. Denen en West-Friezen in Kennemerland', in: Holland 39 (2007), nr 4, p 292, 293].
• Deutlich ist auch, daß Robert I. von Flandern seinen Beinamen Friso dadurch bekam, daß er die Witwe Floris I. von Holland heiratete. ... Auch die Grafen des "Holländischen Hauses" werden nach der Frisia genannt, so Gerulf comes Fresonum und sein Sohn Waldgarius Freso, Tiedric comes Fresonie oder Thiderico Fresonie (Dirk III), Florens comes Fresonum oder dux Frisiae (Floris I). Es ist also deutlich, daß das spätere Holland bis tief in das 11. Jahrhundert Frisia hieß und seine Grafen Comites Fresonum und dgl., und dies nicht gelegentlich, sondern immer und unter Ausschließung jedes anderen Namens [Dirk P. Blok, 'Holland und Westfriesland', in: Frühmitteralterliche Studien 3 (1969), p 349].
• Wordt met 'de Fries' anno 1100 wel een Fries aangeduid of was Hollander nog niet ingeburgerd? Een vlaamse gravenzoon kreeg nadat hij met de weduwe van Floris I huwde de bijnaam (Robert) de Fries [H. Bruch, 'De moord op de bisschop', in: Maandblad Oud-Utrecht 64 (1991), nr 6, p 62].
• Item van den lagheline dat here Heinric die Vriese tappede 10 lb., Dordrecht uitgaven 1283-84. Item heren Hughen ver Zegheraden sone ende Thieleman den Vriese doe si voeren op Rodenrevelt 18 sol. - uitgaven 1283-84. Van den wine Piter sheren Tielemans sone 57 lib., Tieleman sheren Heinrics Vriesen sone met Pieter ghemene hant te betalen - inkomsten 1284-85. Haer Heinric die Frese [Stadsrek. Dordrecht 1283-87, p 6, 9, 16, 18].
• Jan en Heinric die Vriese, in 1278 schepenen van Dordrecht, enz. Auteur geeft oorzaken van de sterke verbreiding [Schaar van der-1959, p 45; vgl. Schaar van der-1953, p 127].
• Lambert de Vrieze, financier te Utrecht, 13e eeuw [AGN, II, p 300].
• Jc lambrecht die vriese ridder... verklaart dat Floris (V), graaf van Holland hem nog geld schuldig is - Holland, grafelijke kanselarij 1293 [J.W.J. Burgers, 'Enkele nieuwe aanvullingen op het 'Corpus-Gysseling'', in: Taal en Tongval 45 (1993), nr 2, p 190].
• Floris die Vries, vazal van de hertog van Gelre 1369-96 [Codex Gelre].
• Goessen die Vriese, Zwolle 1449 [Maandrek. Zwolle 1449].
• Pieter de Vries Willems zoon, schepen Den Haag 1568; Hendrik Cornelis' zoon de Vries, Den Haag 1570 (archief van het zusterhuis Sint Maria in Galilee) [Sernee-1920, p 52, 101].
• Dirck de Vrieze, bewoner van het huis 'Aemsterdam' te Middelburg 1576 [Kohier 100ste penning Middelburg 1576, p 16].
• Willem de Vries, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam [Dillen van-1941, p 51].
• Hits Harmensz de Vries, in 1616 wielmaker te Lisse, in 1622 waard in 't Roode Hart aldaar; zoon van Harman Wipsz de Vries van Oninga, geb. Joure 1543, werd procureur en schout van Voorhout, in 1596 waard 'in de drije woultvryesen' (in de drie Woudfriezen) te Lisse [Hulkenberg-1975, p 18].
• Andries Juriaansz de Vries (Dokkum ca. 1719-Alkemade 1801) ['Wapenregister', in: GEM 25 (2017), nr 1, p 28].
• Gerrit Jacobsen vulgo de vries, doop dochter Ermelo 1731 [Hazeu-van Veldhuizen-1984, p 15].
• Auteur van deze publicatie geeft 342 'varianten' van deze naam [Pieter Luinstra, Duizend jaar Oldekerk, Buitenpost 1980, p 128].
• Menze Hendrikszn de Vries, huw. Lemmer 1752 [F. Inniger, Genealogie van het geslacht De Vries, afkomstig uit Lemmer (Friesland), Middelburg 1981; vgl. Med. CBG 36 (1982, nr 2, p 5].
• Jan Rijckelts de Vries (Urk 18e eeuw); zoon van Rijckelt (Richard) Jochems en diens tweede, Friese vrouw Femke Jans van Nijemirdum. Zij gaf haar zoon de doopnaam Jan de Vries, mogelijk om hem van een oudere halfbroer te onderscheiden; deze toenaam werd ook aan de tien volgende kinderen gegeven "waardoor de naam op het eiland tamelijk frequent werd" [T. de Vries, 'De naam De Vries', in: DMB 17 (1965), p ...104].
• Jacob (Wolken) Freriks de Vries, ook genaamd Jacob Wolcken Frerichs en Jacob Wolken Freriks (Klein Armenland, Esens, Ostfriesland 1759 - Roden 1846); zoon van Frerich Cornelius (Esens 1730-1798) & Hiembke Frerichs (Esens 1734-1793); de achternaam Wolcken is afkomstig van Frerichs stiefmoeder: Fencke Wolcken (Werdum 1691-Esens 1765) [Jur Eckhardt, 'In de spotlight: Berend de Vries', in: Kontakt Ol Eel (2020), maart, p 14-16].
• Jan Gooitsens de Vries (Oosternijkerk 1771-Oostdongeradeel 1834), gardenier, woonde op Grote Midhuizen o/ Ee, nam 21-12-1811 de familienaam De Vries aan; zoon van Gooitsen Jans & Janke Derks [Atze Glas, 'Kwartierstaat van Ingrid Marianne de Vries', in: De Sneuper 23 (2009), nr 93/3, p 145].
• Christiaan de Vries (Zaltbommel 1799-Bergen op Zoom 1858) [Bergs kwartierstatenboek-1998, p 76].
• Egbert de Vries; zoon van Jacobus Egbertse (Larrelt Dld.-Nigtevegt 1769) & Gerbricht Gerritse, huw. Weesp 1729 ['Wapenregister', in: GEM 27 (2019), nr 2, p 30].
• Naamsaanneming Grouw 1811: Durk Cornelis de Vries, tekent Vris; Johannes Douwes de Vries; Sybe Gerbens de Vries; enz. [Hoekema-1975, p 277].
• Sjoerd Tjeerds de Vries, ovl. Grotegast 1850, gbv. Veenwouden (Friesland) [Kertiersteat Zwart-1988, p 60, nr 124].
• Aanvrager van een familiewapen stamt af van Johannes Jans uit Veendam, huw. Nieuwe Pekela 1759, wordt bij doop kind in 1764 Johannes Jans de Vriese genoemd. Kleinzoon Agge Jans komt bij zijn huwelijk in 1821 voor met de familienaam De Vries (Nieuwe Pekela) ['Wapenregister', in: Jb. CBG 49 (1995), p 265].
• De letterkundige Theun de Vries, geb. 1907, maakt deel uit van deze familie, die afk. is uit Tietjerk (Pieter Jacopsz, eind 16e eeuw) [N.A. Huizing-de Vries, De Vries-en van het Swaddegebied, Enschede 1995; vgl. Genealogie-CBG 3 (1997), nr 1, p 17].
• Bote Jacobs (de Vries), geb. Kleinegast Groningerland, ged. Oostrum Oostdongeradeel 1763, ovl. Oostrum 1826) ['Wapenregister', in: GEM 26 (2018), nr 3, p 30].
• Simon Philip, zich later noemende De Vries, geb. Neede 1791; zoon van Philip Simon, herkomst onbekend & Berendina Joseph (van Gelder) [Goof Hagenaar, 'Rabbijn S. Ph. de Vries', Historische Kring Neede (1989), p 8].
• Salomon Isaac, won. te Delft, neemt de familienaam De Vries aan (1811) [C.D. Goudappel, 'De naamsaanneming in 1811 in Delft', in: Delfia Batavorum Jaarboek 7 (1997), p 74].
• Jacob de Vries (Pruissen 1796-Almelo 1866) = Ja'akov b. David; zoon van David en Rachel de Vries [Talmoed Touro Almelo 1845, p 96].
• [Westfr. Fam. 25 (1984), nr 2, p 33].
• Pinas Marcus de Vries, geb. 1816, leerling te Amsterdam 1823; zoon van Marcus Isac de Vries, diamantslijper [Harmen Snel, 'Joodse leerlingen op een openbare lagere school in Amsterdam in 1823', in: Misjpoge 21 (2008), nr 2, p 44].
• Machiel Isaac de Vries (Paramaribo 1810-1867); zoon van Isaac Joseph (Paramaribo 1777-1811); zoon van Joseph Isaacs van Cracau & Sara Isaac Hammelburg [Harmen Snel, 'Kwartierstaat: Caro van Eyck', in: GN 72 (2017), nr 2, p 115-117].
• [T.H. de Vries, Familie De Vries geboren en getogen te Akkerwoude en Murmerwoude, Almere 1991].
• [F. Claes, 'Herkomstnamen en immigratie in Diest tot 1400', in: Naamkunde 30 (1998), p 128].
• [Nederlandse Genealogieën (KNGGW), deel 10 (1993)].
• [NP 80 (1997); vgl. 'Wapenregister', in: Jb. CBG 52 (1998), p 275].
• [H.H. Agterhof, 'Naamsaannemingen te Neede', in: Old-Nee (1984), nr 14, p 14].
• ['De Castricumse familie De Vries', in: Jb. Oud-Castricum 34 (2011), p 93-113].

• Over de identiteit en (ontbreken van) continuïteit van de 'Friezen' als volk vanaf de prehistorie:
- "Over de invallers weten we bitter weinig; toen de term Franken in de vierde eeuw ingeburgerd was geraakt, werden er vooral mensen in het binnenland mee bedoeld, maar De Boone heeft er al op gewezen dat de benaming in eerste instantie ook of misschien vooral bewoners van de kuststeken gold: Friezen dus, en de Chauken aan hun oostzijde. Als direct bewijs mag gelden, dat we beider namen niet of nauwelijks nog vermeld zien. De actie van 172-74 was de laatste waarmee de Chauken-naam werd verbonden, terwijl de Friezen nog slechts eenmaal genoemd zouden worden, in de slotjaren van de derde eeuw. (...) Waar waren de Friezen inmiddels gebleven? Hun naam zou pas in de zesde eeuw weer in teksten opduiken, maar zijzelf, of beter gezegd hun nazaten, bestonden natuurlijk nog. De overgrote meerderheid zal op een of andere wijze aan de Frankische en Saksische raids hebben deelgenomen. Het kan ook zijn dat zij als groep een volksverhuizing hebben ondernomen, maar die is niet als zodanig opgetekend. (...) De Friezen mogen zich misschien tegenover de Romeinen met succes gehandhaafd hebben, tegen het water en de woelingen rond de eerste Frankische aanvallen op het Romeins imperium waren ze niet opgewassen. Alles overziend moet het oordeel luiden dat het Friese gebied rond het midden van de vierde eeuw nagenoeg onbewoond was. De aanname van een continuïteit tussen de Friezen van de eeuwen rond het begin van de jaartelling en die van nu, een idee waartegen men zich de afgelopen anderhalve eeuw voortdurend heeft geschurkt, is derhalve onhoudbaar. Het overgrote deel van de oorspronkelijke Friese bevolking zal zijn verstrooid over de wateren, schuilgaand onder Franken en Saksen. (...) Behoudens enkele tekens ontbreekt van al deze duizenden mensen (die elders terecht gekomen zouden zijn) ieder spoor, in die zin dat we in het Europese archeologische vondstbestand van de vierde, laat staan vijfde eeuw nergens iets uitgesproken 'Fries' herkennen. (...) Pas in de eerste helft van de vijfde eeuw werd het kweldergebied weer aantrekkelijk bevonden voor langdurige bewoning. Over de aard van de bevolking valt slechts te speculeren. Ongetwijfeld ging het om een zeer gemêleerd gezelschap, bestaande uit nieuwkomers uit de gehele Noordzeeregio en, misschien, ook uit verre nakomelingen van het die ooit de terpen hadden verlaten" [Ernst Taayke, 'Onder Friezen en Saksen. Friesland in de laat-Romeinse tijd', in: Jb. De Vrije Fries 80 (2000), p 9-28].
- "In de beeldvorming van de provincie veranderde in de negentiende eeuw iets wezenlijk. Onder invloed van de romantiek en van de eenwording van de Nederlandse natie schiepen zowel de Friezen als ook de buitenstaanders het beeld van een oeroude, authentieke samenleving. De Friese kleine burgerij en arbeiders begonnen zelf, als reactie op het verlies van politieke zelfstandigheid in de Bataafse tijd en vooral de economische periferisering, Friese cultuur in steeds sterker mate te zien als een rurale streekcultuur. (...) In deze beeldvorming namelijk werd een scherp onderscheid gemaakt tussen stad en platteland en werd het laatste gezien als een residu-gebied van oude Frieze zeden en gewoonten. Het is een sterk beeld gebleken, want tot in onze tijd houdt het, getuige bijvoorbeeld het succes van het boek van Geert Mak over Jorwerd, in essentie moeiteloos stand: Friesland is 'oer'" [Meindert Schroor, 'Noord-Nederland: een demografisch reservaat? Kanttekeningen bij het Friese genoom', ibid. p 29-54].
- "Wat nu Holland is, was dus ooit onderdeel van het Friese rijk. De naam Holland duikt pas voor het eerst op in 1101; in de vroege middeleeuwen, en ook nog wel enige tijd erna, wordt het hele gebied steevast Frisia genoemd, en worden zijn bewoners als Fresiones of Fresones/Frisones aangeduid, zoals Blok uitgebreid heeft aangetoond. Voor de bewoners van het zuidelijkste gedeelte vinden we in klassieke bronnen ook nog Frisaeveones" [Rolf H. Bremmer Jr., 'Het ontstaan van het Fries en het Hollands', in: Negen eeuwen Friesland-Holland. Geschiedenis van een haat-liefdeverhouding, Leeuwarden/Zutphen 1997, p 68].
- [Jan Huisman, 'Beeldvorming en identiteit in het laatmiddeleeuwse Friesland', in: It Beaken 72 (2010), nr 3-4, p 157-174].
• Vries(e), (de); (de) Vrieze, de Vriesse, Vris, Devrisse, Defrise, Defrize, de Vreese, de Vreeze, de Vreesse, de Vreece, de Vreest, (de) Vrees, Frees(e), Frese:  Volksnaam van de Fries, inwoner van Friesland. De klankwettige Ndl. vorm is inderdaad Vries(land). 1278 Jan die Vriese, Dordrecht (CG); 1300 Willelmus dictus Friso (DEBR. 1980); 1313 Pieter Vrese, WV (RYCKEBOER); 1318 naest Jhans Vriesen, Hulst (DEBR. 1999); 1382 Jan de Vriese, Ktr. (DEBR. 1970). — Lit.: H. BUITENHUIS, De familienaam De Vries. MVN 1965, 163-173.  [WFB2]
• Vrieze, de; de Vries(e): Volksnaam van de Fries, de inwoner van Friesland. De klankwettige Ndl. vorm is inderdaad Vries(land). 1278 Jan die Vriese, Dordrecht (CG); 1290 Willaumes Vrieze, Z (OHZ IV, 797); 1318 naest Jhans Vriesen = Ihan de Vriese, Hulst (DEBR. 1999); 1365 Heinrick de Vrieze, Middelburg (JAM. 133). ­ Lit.: H. BUITENHUIS, De familienaam De Vries. MVN 1965, 163-173.   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: