Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Ruiter, de
< Ruijter, de (y) < Ruijter (y)
Ruijter, den (y)
Ruijter de Wildt, de (y)

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Bartholt die Ruijtter (de kinderen van), Herveld bij Nijmegen 1520 [Legerboek Stevenskerk Nijmegen 1600, p 46].
• Henrick de Ruyter, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam; = Heyndrick de Ruter, doop kind 1587 [Dillen van-1941, p 52].
• Een stamreeks gaat terug tot Jan Cornelisse de Ruyter, huw. Barendrecht 1621 [Nieuwe boeken, in: Med. CBG 45 (1991), nr 1, p 12].
• Jan Willemsz de Ruijter (ca. 1645-1717), landbouwer in Eemnes, op een boerderij locatie Meentweg 51-53 [Henk van Hees, 'De stamboom van de muizenfamilie De Ruijter', in: Baerne 32 (2008), nr 4, p 19-23].
• "De familie De Ruijter (ook wel De Ruyter geschreven) vindt voor zover bekend zijn oorsprong in Dirk Cornelisz (de) Ruijter (geb. ca. 1680), die in het begin van de 18e eeuw in het Heemskerkse duingebied woonde" [P.G.M. Gooijer & E.J.A. Zevenhuizen, 'De Ruijters van Heemskerk', in: Heemskring. Historische Kring Heemskerk (1993), nr 10, p 3-8].
• Frans de Ruyter, 'wesende een gegageert ruyter' (dus een gewezen ruiter, cavallier), richtte in 1715 een herberg op in Steelhoven [Chr. Buiks, 'Brouwerijen en herbergen in het oude Oosterhout', in: Heemkundekring De Heerlijkheid Oosterhout 15 (1991), nr 2, p 1620].
• Jan de Ruyter e.a., Broek in Waterland 1742 [PQ Broek in Waterland 1742, p 403].
• [C. Hollaar, Genealogie van een tak van de familie De Ruyter, Beverwijk 1991 (3e druk)].
• [Ronald Prud'homme van Reine, Rechterhand van Nederland, Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, 1996, 5e uitgebreide druk 2007].
• [A. van der Moer, De Luitenant-Admirael-Generael. Een beknopte levensbeschrijving van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, Franeker 2000].
• [Ivo van Loo, Kapitein Trouwhand. De Zeeuwse jaren van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, 1607-1655, (Middelburg 2006?)].
• [Otto van der Meij, 'Hoeders van De Ruyters naam', in: Jb. CBG 62 (2008), p 109-136].
• Ruiter, de; de Ruijter, Ruijters, Rutters: Mnl. ruter `vrijbuiter, landloper, straatrover, soldaat'; later `krijgsman te paard'. 1326 Jan de Rutre, Ieper (BEELE); 1576 Claes de Ruyter, Middelburg (DM).   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: