Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Schoenmakers
Schoemaker
< Schoenmaker < Schoen
Schoenman
Schoenlapper

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Harm Harms Schoenmaker, schoenmaker/landbouwer, huw. Sellingen, Vlagtwedde ca. 1703 [Wegman-1982, p 7, nr 532].
• Wessel Wessels Schoenmaker, mr. Schoenmaecker tot Sellingen (1708) [Wegman-1991, p 112].
• Jacob Schoe(n)maker, vroedschap Alkmaar 1721 [Vroedschap Alkmaar 5 (1996), nr 1, p 59].
• ['Nieuwe boeken', in: Med. CBG 47 (1993), nr 2, p 53].
• Schoenmakers, de Schoenmaker(e), (de) Schoe(n)mae(c)ker, (de) Schoema(e)(c)ker, (de) Schoenma(e)kers, (de) Schoenmacker(s), Schoenma(ec)ker(s), Schoonmaekers, Schumacker(s), -ma(e)ker, Schu(h)macher, Schoemacher, Schouma(c)ker(s), Schoumacher(s):  BerN van de schoenmaker. 1280 Aelidis Scoumakers; 1326 Arnoud de Scoemakere, Ip. (BEELE); 1358 Johannis Scoemakers, Ktr. (DEBR. 1970); 1484 Jan Scoonmakere, Biervliet-Bg. (PARM.). Zie ook Schonmacker.  [WFB2]
• Schoemaker, Schoenmaker(s), Schoenmaekers: BerN van de schoenmaker. De vorm schoemaker is de oorspronkelijkste, want Mnl. scoe en nog Zeeuws schoe `schoen'. De vorm schoen is oorspr. mv., maar werd achteraf als enkelvoud aangevoeld. 1284-85 Ghodevard Scomaker, Dordrecht; 1381 van Jan den Scoemakere, Hulst (DEBR. 1999); 1460 Bave Scoemakere, Aardenburg (PARM.); 1576 Cornelis Jansz. Schoemaecker, Middelburg (DM).   [WFZ]
• Zie SCOE(N)MAKERE in het Vroegmiddelnederlands woordenboek [VMNW].

afkortingen en bibliografische notaties: