Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Koek < Koekebakker
Koeken
Koekman
Pannekoek
Kuck

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Claes Jansz Kouck, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam; = Claes Jansz Coeck, test. 1595. Jacob Pietersz Koeck [Dillen van-1941, p 37, 123].
• Voorouders: Albert Peters Koek (Schokland 1732-1799) & Machteld Jansen Kok (dochter van Jan Willems Kok). Albert is een zoon van Peter Albersen, bijgenaamd Net; andere nazaten hebben de familienaam Net [A. Klappe, 'Mag ik u wat vragen?', in: Het Schokker Erf (1991), nr 17, p 34, 37].
• Jacob Cornelisz Koek, Spaarndam ca. 1700; zoon van Cornelis Jacobsz ['Nieuwe boeken', in: Med. CBG 42 (1988), nr 3, p 9].
• Johannes Coeck, Ridderkerk 1643; zoon van Anthony Coeck, van Schotland [J.A. Crezée, Over dopen, trouwen en begraven. Ridderkerk in de Gouden Eeuw, Ridderkerk 1988, p 51].
• Jan Jansz Coeck, gildemeester timmerliedengilde Kampen 1658 (in 1663 Jan Jansz Cock) [Kolman-1993, p 404].
• Oorspronkelijk Kuck [J.E. Gerrits-Koek, 'Genealogie Koek', in: Threant 4 (1993), nr 5].
• [M. Spaans, Genealogie Koek; Vgl. Med. CBG 47 (1993), nr 4, p 119].
• Pieter Dircksz Koeck, huw. Rotterdam 1623 [Slootweg-1997, p 99].
• Kuck, Kück - Nordwestdeutsche, vor allem zwischen Aachen und Bremen vorkommende Familiennamen: 1. Herkunftsname zu einem gleich lautenden Ortsnamen, zum Beispiel im ehem. Kreis Eupen (Belgien). Vgl. Hans van Kuk, Hildesheim 1404. 2. Wohnstättennamen zu friesisch kuch, mnd. koch, niederdt. Koog 'eingedeichtes Land' (vgl. Cuxhaven < a. 1700 Koogshaven). 3. Verkürzt aus mnd. kuken 'Küchlein, junges Huhn', als Übernamen für den unerfahrenen Menschen [Duden Familiennamen].
• Vergelijk als 20e eeuwse bijnaam in Westerbork: "Roelof Lahuis weur bakkersknecht en dus kenden wij hum as Roef Koekie, of as Koekie Lahoes" [G. Kuipers, 'Bijnamen in Börck', in: Oeze Volk 45 (2001), nr 9, p 165].
• Koek, Koeke(n), Kocken, Kokke(n), Kook(en), Koeck(e), Ko(c)ke, Koeks, Koe(c)kx, Coeck(e), Coeke, Coe(c)kx, Couck(e), Couque, Coucq, Caucke, Cooke(n), Koock, Ku(c)k, Kück, Kuke:  1. BerBN van de koekenbakker. Vgl. Wasteels, Watteau. ±1300 Walterus Koeke, Ktr. (DEBR. 1980); 1368 Matte Couke up Fierin Coux cateile; 1390 Floreins Kouke, Ktr. (DEBR. 1970). — 2. Sommige vormen kunnen var. zijn van Kok.  [WFB2]
• Zie COEKE in het Vroegmiddelnederlands woordenboek [VMNW].

afkortingen en bibliografische notaties: