Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Boender < Boendermaker
Boenders
Beunder
Bonder
Bunder

verklaring:
We kennen het woord boender als zelfstandg naamwoord voor het gereedschap waarmee vroeger menige stoep geschrobd werd. Uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal: "Werktuig om mede te boenen, te schrobben, met water schoon te maken. Hetzij een lange boender, voor vloeren en gangen; hetzij een platte boender, smalle haren borstel, voor houtwerk..." Een boender is derhalve een stevige borstel of bezem. Het zelfstandig naamwoord hoort bij het werkwoord boenen en bevat een zogenaamde epenthetische -d-, die in het spraakgebruik is ingelast en die we ook herkennen in bijvoorbeeld de familienaam Mulder.
De familienaam Boender is op basis van het zelfstandig naamwoord een beroepsbijnaam voor de ambachtsman die boenders fabriceerde en verkocht. Vergelijk de familienaam Boendermaker.
Maar Boender zou met die ingelaste -d- ook een rechtstreekse 'beroepsnaam' op -er uit het werkwoord boenen kunnen zijn: wellicht voor een schoonmaker die bedreven was in het boenen.

Citeren:
Leendert Brouwer, 'Boender', in: Nederlandse Familienamenbank = CBG Familienamen, Amsterdam, Meertens Instituut / Den Haag, CBG Centrum voor familiegeschiedenis, 2000...


kenmerken:
metonymische beroepsnaam beroepsnaam

specifieke componenten:

er geen affix d