Nederlandse Familienamenbank

Naam 

Blom

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Bloem, Bloem(m)en, Bloeme, Bloume, Blom(en), Blomme(n), Blommé, de Blomme, Blum, Blume(n), de Bloem, (de) Bloom:  1. BN naar de bloem, wellicht in de bet.: wat het beste is in zijn soort, een voortreffelijke persoonlijkheid. HAGSTR. 1949, 76 denkt ook aan een BerBN voor een tuinier. Of voor een bloemist of bloemenvriend. 1310 Margareta metten Blomen, hore dochter Ide metten Blomen, Diest (F.C.); 1718 le Fleur alias de Blomme, Gent (VS 1973, 306). Evtl. huisnaam. — 2. Metr. De meisjesnaam Bloem(e), een oude Germ. VN: Bloma (Fm.). 1281 Marg. Clais Bloemins (HAES.); 1393 die Bloemen Pottarts was, Ktr. (DEBR. 1970); 1268 Colinus Blome, Ip. (BEELE); 1382 Meewels Bloume = Bloeme, Marke (DEBR. 1970). Zie ook VS 1965, 195-6. — 3. Soms verkorting van Heiblom. 17e e. Steven Heyblom = Blom (zoon van) 1626-1719 Willem Heyblom, NB (med. J. Blom). — 4. Mnl. blomme: (bloem)meel. BerBN voor molenaar of bakker. 1677 Jan Servaes Blom, broeder van het bakkersgilde, Zevenbergen; 1617 H.T. Blom alias Backer, Wieringen (med. J. Blom). — 5. Een enkele keer is Blo(e)m de vernederlandsing van Leblon. 1581 Gabriel le Blon (uit Artesië), Dordrecht = de Bloem; zijn kinderen komen voor met de naamvorm le Blom, de Blom, Blom (med. J. Blom).  [WFB2]
• Bloem, (de) Blom, Blomme: 1. BN naar de bloem, in de betekenis `wat het beste is in zijn soort, een voortreffelijke persoonlijkheid'. Mischien ook BN voor een bloemenliefhebber of een tuinier. Ook een huisnaam is mogelijk. 1185 Gerardus Blome, Utrecht (GYSS. 1966); 1294 ser Boidin Bloems hues, Hulst (OHZ V, 368); 1310 Margareta metten Blomen, Diest (WF); 1474 Wouter Blomme, Aardenburg (VAN VOOREN 23). ­ 2. Metr. De meisjesnaam Bloem(e) is een oude Germ. VNB: Bloma. 1393 die Bloemen Pottarts was, Kortrijk (WF). ­ 3. Mnl. blomme `(bloem)meel'. BerBN vcoor een molenaar of bakker. 1617 H.T. Blom alias Backer, Wieringen (med. J. Blom).   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: