Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Blom
< Bloem < Bloemen
Bloemsma
Bloemink
Blum (ü)
Overbeek Bloem

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• [Gysseling-1966, p 14].
• Jan Bloem Arians zoon, Naaldwijk 1497 (archief van het klooster van Sint Elizabeth in Den Haag) = Jan Bloem, 1483 [Sernee-1920, p 13, 29].
• Jan Bloem, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam [Dillen van-1941, p 168].
• Sybrand Pietersz Bloem, burgemeester Uitdam 1708 ['Uitdammer ambtsdragers en beroepsbeoefenaars', in: Jb. Waterland 2 (1995), p 93].
• Henricus Bloem (Wehl 1677-Beek Zeddam 1751); zoon van Jan Gerritsz Bloem [Erna Reuzel-Gerritsen, 'Diverse kwartierstaten Hulshof', in: OTGB 35 (2018), nr 2, p 61].
• Andries Cornelis Bloem, Terschelling 1812 (56 j.) [Dieren van-1990, p 206].
• Bloem, Bloem(m)en, Bloeme, Bloume, Blom(en), Blomme(n), Blommé, de Blomme, Blum, Blume(n), de Bloem, (de) Bloom:  1. BN naar de bloem, wellicht in de bet.: wat het beste is in zijn soort, een voortreffelijke persoonlijkheid. HAGSTR. 1949, 76 denkt ook aan een BerBN voor een tuinier. Of voor een bloemist of bloemenvriend. 1310 Margareta metten Blomen, hore dochter Ide metten Blomen, Diest (F.C.); 1718 le Fleur alias de Blomme, Gent (VS 1973, 306). Evtl. huisnaam. — 2. Metr. De meisjesnaam Bloem(e), een oude Germ. VN: Bloma (Fm.). 1281 Marg. Clais Bloemins (HAES.); 1393 die Bloemen Pottarts was, Ktr. (DEBR. 1970); 1268 Colinus Blome, Ip. (BEELE); 1382 Meewels Bloume = Bloeme, Marke (DEBR. 1970). Zie ook VS 1965, 195-6. — 3. Soms verkorting van Heiblom. 17e e. Steven Heyblom = Blom (zoon van) 1626-1719 Willem Heyblom, NB (med. J. Blom). — 4. Mnl. blomme: (bloem)meel. BerBN voor molenaar of bakker. 1677 Jan Servaes Blom, broeder van het bakkersgilde, Zevenbergen; 1617 H.T. Blom alias Backer, Wieringen (med. J. Blom). — 5. Een enkele keer is Blo(e)m de vernederlandsing van Leblon. 1581 Gabriel le Blon (uit Artesië), Dordrecht = de Bloem; zijn kinderen komen voor met de naamvorm le Blom, de Blom, Blom (med. J. Blom).  [WFB2]
• Bloem, (de) Blom, Blomme: 1. BN naar de bloem, in de betekenis `wat het beste is in zijn soort, een voortreffelijke persoonlijkheid'. Mischien ook BN voor een bloemenliefhebber of een tuinier. Ook een huisnaam is mogelijk. 1185 Gerardus Blome, Utrecht (GYSS. 1966); 1294 ser Boidin Bloems hues, Hulst (OHZ V, 368); 1310 Margareta metten Blomen, Diest (WF); 1474 Wouter Blomme, Aardenburg (VAN VOOREN 23). ­ 2. Metr. De meisjesnaam Bloem(e) is een oude Germ. VNB: Bloma. 1393 die Bloemen Pottarts was, Kortrijk (WF). ­ 3. Mnl. blomme `(bloem)meel'. BerBN vcoor een molenaar of bakker. 1617 H.T. Blom alias Backer, Wieringen (med. J. Blom).   [WFZ]
• Zie BLOEME in het Vroegmiddelnederlands woordenboek [VMNW].

afkortingen en bibliografische notaties: