Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Loo, van de / der < Loo, van
Loman
Looij, van de / der (y)
Verloo
Loo, van 't

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• "Een ijl bos op hoge zandgrond heette lo, uit Germaans lauha, dat op dezelfde Indo-europese grondvorm teruggaat als Latijn lucus 'heilig bos'. De soortnaam moet al vroeg verdwenen zijn, want in de Middelnederlandse overlevering vinden we er zo goed als geen sporen meer van. Het woord is wel opmerkelijk productief geweest in de plaatsnaamgeving, als bestanddeel van zowel veldnamen als nederzettingsnamen. Talrijk zijn dan ook de familienamen met lo: Van (de/der) Loo / Looij / Loey, Van 't Loo, Verlooy, Verloey, Verloes, Loman(s), Loeman(s), Leumans en Looijmans" [Devos-2001, p 49].
• Jan van de Loe, 1360; Arnt van der Loe, 1368 [Schepenen Sint-Oedenrode 1311-1550, p 54].
• Wouter van den Loe Wouterssone, ca. 1430 te Halder, St. Michielsgestel [M. Spierings, 'De Leenakkers van Herlaar in Esch', in: De Kleine Meijerij 41 (1990), nr 2, p 48, 49].
• Hendrick Berenss op dat Loe, vermeld in de Ligger van de Landerijen in Salland van 1520 m.b.t. Heino [Bieleman-1980, p 131].
• Meer over het toponymisch element loo:
- Lo als waternaam heeft sterk de aandacht getrokken sedert Beekmans artikel in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap (2de serie) 23, 1 v.v.). Hij onderscheidde vier woorden lo: 1. lo (onz. en vr.) 'open plek in een bos'; bekend vooral uit vele plaatsnamen; 2. lo (vr.) 'buitendijks water', veelal een kil of kreek in buitengronden, soms ook waterloop; 3. lo (vr.) 'moeras'; 4. lo 'plaats, locus', bv. in Baflo. Terwijl men zonder enig bezwaar dit viertal tot twee kan reduceren, blijft het de vraag, of lo '(open plek in een) bos' en lo 'water' identiek zijn. Ons inziens heeft Weijnen terecht op deze vraag bevestigend geantwoord, al zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. Wij gaan voor lo = lat. lucus uit van de betekenis die door Ekwall, resp. Trier is omschreven als 'a part in a wood with the trees scattered so that grass can grow', resp. 'weitständiger Niederwald mit Grasswuchs'; een geschikt woord dus om in onze lage landen moerasbossen aan te duiden. Het legde het op den duur evenwel af tegen woud, dat voor die moerasbossen het gewone woord werd, en het kon zich alleen handhaven door geleidelijke betekenisverandering. Enerzijds verdween het element 'moeras' uit de betekenis; anderzijds - en daarmee hebben wij hier te doen - het element 'bos': in de lage landen ging het dus betekenen 'moeras, poel' en dan 'kil, kreek, waterloop'. Het verschil in geslacht (lo 'bos' is meestal onzijdig; lo 'water' vrouwelijk) is geen overwegend bezwaar; invloed van synoniemen is aannemelijk. Lo kwam in zijn nieuwe betekenis dicht bij lee, lede te staan; en onder invloed hiervan ontstond naast lo ook lode; zo bv. in het mnl., waar het woord nog als appellatief voorkomt, vindt men "eenighe Loon ofte creecken", maar ook "loden, vaerden, waterganghen". Lo als waternaam is vooral (maar niet uitsluitend) Zeeuws-Hollands [Schönfeld-1955, p 154].
- [Moerman-1956, p 146].
• Loo, van der; van de Loo, van 't Loo, van Deloo, van de(r) Looy, van der Looij, Verloo, Verlo(o)y, Verloey, Verloes:  PlN ter Lo: open plaats in een bos, bos, bosje op hoge zandgrond. Zie ook Van Loo, Terloo. 1321 Joh. de Loe = 1334 Johanne van der Loe, Tn. (C.BAERT); 1382 Hannekin van der Loo, Bavikhove (DEBR. 1970); 1506 Lippen Verloo, Temse (DE MAN); 1512 Lenaert de Ketelbueter alias vande Loey = 1544 Lenaert vander Loe, St.-Tr. (LENGLEZ).  [WFB2]
• Loo, van der; Verloo: Verspreide PlN ter Lo(o) `open plaats in een bos, bos, bosje op hoge zandrug'. 1360 Jan van de Loe, Sint-Oedenrode (DM).   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: