Nederlandse Familienamenbank |
| Laak, van de / der | < |
Laak, ter Laak, op de Leek, van der Lakeman Laak, van |
naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
| • "De Nederlandse woordenschat is altijd rijk geweest aan benamingen voor stilstaand water. Woorden met ruime verspreiding als soortnaam en/of in toponiemen zijn meer, ven, vijver, laak, poel, plas en put. De exacte betekenis van al deze woorden varieert in tijd en ruimte. Netzomin als in de huidige standaardtaal b.v. meer, ven, poel en plas in alle omstandigheden door elkaar vervangbaar zijn, duidden deze woorden in de vroegere volkstaal exact hetzelfde aan. Waarin hun betekenissen zich van elkaar onderscheidden, m.a.w. welke eigenschap van het benoemde in elk van die woorden voorop stond, blijft veelal onduidelijk, en het zou een aparte historisch-semantische studie vergen om deze kwestie te klaren. In de toponymie blijkt hetzelfde bestanddeel soms binnen dezelfde regio betrekking te hebben op plassen van verschillende uitgestrektheid, diepte, hoedanigheid en bestemming. (...) Laak, met variant 'lake', is etymologisch identiek met Engels lake 'meer' en Duits lache 'poel', en behoort bij het werkwoord leken (waarvan in de huidige standaardtaal alleen nog de intensiefvorm lekken) 'water doorlaten'. Oorspronkelijk duidde laak stromend water aan, vandaar dat we het aantreffen in beek- en sloottoponiemen, maar al in de vroegste Middelnederlandse teksten lijkt het zowat synoniem van meer/mere. Volgens sommige etymologen is de evolutie van laak tot meer- en vijverbenaming beïnvloed door het Latijnse woord lacus, dat vanouds stilstaand water benoemde (zoals nu nog zijn Franse, Spaanse en Italiaanse afstammelingen lac en lago). Aangezien bij ons veruit de meeste laak-toponiemen betrekking hebben op plassen, poelen, meertjes en vijvers, moet vooral die (secundaire) betekenis in overweging worden genomen ter verklaring van de vele familienamen waarin het woord laak vervat zit: Van (de/der) Laak, Van (der) Laeke(n), Op de Laak, Ter Laak, Verlaak(t), Verlaecken, Verlack(t), Verlaet, Verlat, Lakeman(s), Lacman(s)" [Devos-2001, p 37, 40]. • [Leenders-2018, p 105]. • Korte en Lange Laek [Cruquius-1712, negende stuk (kaartblad 's Gravenhage)]. | |
| • Laak, van (de(r)); van Lae(c)ke, van Lae(c)ken, van Lake(n), van La(e)rken, Lake, van der Laeken, Verlaecke(n), Verlaeken, Verlaak, Verlaek, Verlaeckt, Verlack(t), Verla(e)t: PlN ten/ter Lake: poel, plas, waterloop in moerassig terrein. Laak (G, DR, OIJ, NL), ter Lake in Dinslaken (NRW) (TW), in Assebroek, Knesselare, Prémesques (Nord), Quelmes (PdC) (DF IX), Zulte. 1248 Walterus de Lake, Oostrozebeke (DEBR. 1980, 110); 1279 Gielis van Lake, Sijsele (CG); 1322 Willem van der Lake, Gent (OLV 252); 1398 Gillis van den Lake, Tielt (DEBR. 1970); 1536 Dan. Verlakt, Kh.-Aw. (AP). [WFB2] |
|
afkortingen en bibliografische notaties: |
|
