Nederlandse Familienamenbank |
| Donk, van de / den / der | < |
Verdonk Donk Donk, van Donck, van der Veerdonk, van de / der |
naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
| • "Door zijn hoge ligging was de Donk een van de weinige plaatsen die droog bleven en dus altijd betrekkelijk veilig waren. Dat de Donk in de veertiende eeuw met zekerheid werd bewoond is af te leiden uit het feit dat het gebied met bijhorende weg in 1363 werd beleend aan Claes van der Doncke" [Arnold de Haan, 'Het klooster op de Brandwijkse Donk', in: Kwartaalblad Historische Vereniging Binnenwaard 24 (2007), nr 2, p 40-44]. • Ian van der Donc (Sevenum), vazal van de hertog van Gelre 1369-96 [Codex Gelre]. • Machteld Willemsdr van der Donck, ovl. na 1448; dochter van Willem Henricksz Vos van der Donck alias Van der Bruggen, vermeld vanaf 1383, gegoed o.a. te Diessen en Vessem; zoon van Hendrick van der Bruggen (van der Doncksz), gegoed te Vessem (hoeve Ter Donc) en te 's-Hertogenbosch (gehuwd met Dylla Willemsdr Vos van Berze); zoon van Hendrick van der Donck, gegoed te Vessem en Diessen, vermoedelijk ovl. 1381-82 [Iongh de-1992, p 209]. • [F. Claes, 'Herkomstnamen en immigratie in Diest tot 1400', in: Naamkunde 30 (1998), p 107]. • Adriaen van der Donck, geb. Breda ca. 1618; zoon van Cornelis van der Donck [Jaap Jacobs, 'De frustratie van Adriaen van der Donck, kolonist in Nieuw-Nederland', in: Holland 31 (1999), nr 2, p 74-86]. • Jacob Dircksz van den Donk, wonend op De Donk, jm. van Brandwijk, huw. Molenaarsgraaf 1658, lidmaat Bleskensgraaf 1674; zoon van Dirck Jansz, won. Brandwijk op de Donck [Slootweg-1997, p 69]. • Familienaam ontleend aan hoeve Aan de Donk te Veghel [Rolf Vonk, 'Van de Tillaart, Van Rijbroek of Van Eenbergen? Familienamen als herinnering aan het Veghelse landschap', in: Van Vehchele tot Veghel 40 (2020), nr 137, p 4]. • Adrianus van de Donk (Veghel 1801-1837) [Henny Bevers-van den Baar, 'Kwartierstaat van Johanna Martina van Venrooij', in: D'n Effer Liessent 28 (2015), nr 2, p 33-37]. • [W.C.M. van Oosterhout, 'Bovendonk, van uithof tot seminarie', in: Jb. De Honderd Hoeven 6 (1990), p 17]. • [Wil Smulders, 'De families Van der Donk', in: Rosmalla 23 (2013), nr 2, p 13-15]. • Over het woord donk en toponiemen Donk: - [Ward van Osta, 'Donk: semantisch en etymologisch', in: Naamkunde 24 (1992), p 87-151]. - [K.A.H.W. Leenders, 'Land en water tussen de Bergen. Bijdrage tot de landschapsgeschiedenis van het gebied tussen Geertruidenberg en Zevenbergen', in: Holland, regionaal-historisch tijdschrift 14 (1982), nr 3-4, p 149-160]. - [Frans Theuws & Arnoud-Jan Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit', in: Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit, I, Sigmaringen 1991, p 113; kaart: Zehn Typen von Siedlungsnamen im Maas-Demer-Schelde-Raum]. - [Leenders-2018, p 110]. - (De) Donk: 1. dorp, gem. Beek en Donk NB.; 2. gehucht, gem. Dinther NB; 3. gehucht, gem. Vessem NB.; 4. buurt, gem. Berkel NB; 5. buurt, gem. Boekel NB.; 6. gem. Duizel NB.; 7. gehucht, gem. Kessel Lb.; 8. huis, gem. Roermond Lb; 9. gehucht, gem. Meijel Lb.; 10. gem. Horn Lb.; 11. gem. Brandwijk ZH. Zie ook Donck en Hoog en Laag Donk (Etten-Leur) [Pott-1913, p 85]. | |
| • Donck, (van); (van de(r)) Donk, Doncq, Donckx, Donks, van der Donck(t), — Don(d)kt, Verdonk, Verdonc(q), Verdoenck, Verdonck(t), Verdoucq: Verspreide PlN Donk, vroeger vrij algemeen opgevat als zandige hoogte in moerassig terrein. Volgens VAN OSTA (Nk. 1992, 87-115) is de oorspr. bet.: moerassige depressie. 1277 Jhan van der Donc, Gent (CG); 1297 Gerardus de Terdonck dictus Cotten, Boortmeerbeek (OAR I); 1372 Paesschine van der Donct, Ktr. (V fo22); 1390 Joes vander Donck, Haasdonk (FLW); 1602 Gielis Verdonck = 1606 Gielis van der Donck, Schelle (MAR.). [WFB2] | |
| • Zie DONC in het Vroegmiddelnederlands woordenboek [VMNW]. |
|
afkortingen en bibliografische notaties: |
