Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Hemmes
Hamminga
< Hemminga < Hemmink
Hieminga
Hemmenga
Hemming

kenmerken:
patroniem adresnaam

Veel voornamen die aan de basis van patroniemen liggen worden verklaard in de
Nederlandse Voornamenbank

specifieke componenten:

inga

inga

Dit is de Fries-Groningse pendant van de Oostnederlandse -ing-vorm met een -a-flexie (vgl. -a en -ing). De naam Eelco Heringa kan als volgt worden uitgelegd: Eelco, een van de personen (zonen) van de clan (familie) van Hero. Nadat -a-verbuiging grammaticaal in het Fries niet meer werd toegepast, bleef men de uitgang -inga bij de vorming van achternamen gebruiken. Deze werden nu echter niet meer alleen van voornamen afgeleid, maar ook van toponiemen (Muntinga < Muntendam of Termunten) en beroepsaanduidingen (Smedinga < smid). Evenals bij andere -a-naam types werden vanaf de middeleeuwen -(i)nga-namen op het huis en land van de betreffende families overgedragen. Het was niet ongebruikelijk dat nieuwe bewoners vervolgens ook de naam overnamen, zodat de betekenis ervan eigenlijk veranderde: Heringa = 'wonend op het Heringa-goed'. Dit werd soms benadrukt door toevoeging van het voorzetsel van (Van Goinga, Van Idsinga).
In 1947 bestonden er nog ongeveer 700 verschillende -nga-namen, waarvan 435 -inga-namen, 265 -enga-namen en een paar andere vormen (Banga, Donga). Deze namen werden door 53.400 personen gedragen, dat is 0,56% van de Nederlandse bevolking. In Friesland door iets meer dan 16.000 en in Groningen door iets minder dan 16.000 personen, wat in beide provincies overigens goed is voor 3,56%. De verhouding tussen het totale aantal -inga- en -enga-naamdragers in Nederland was 40.800 : 12.100. In Friesland kwam de uitgang -enga meer voor dan in Groningen (4.100 : 3.750) en de uitgang -inga iets minder (11.800 : 12.050).
Enkele verkorte en afgezwakte vormen zijn namen op -iga/-ega (Gosliga, Sonnega) en -ia/-ja/-je (Runia, Wijnja, Makkinje).

• Ebeling-1993, p 99. / "Een tweede subtype onder de zogenaamde Friese -a-namen vormen de fn. op -inga. Ook het prototype hiervan heeft een antroponymische basis, gevormd als deze namen oorspronkelijk zijn uit (a) een roepnaam, (b) het bekende, in diverse Germaanse talen productieve achtervoegsel -ing/-ung ter aanduiding van het behoren bij een persoon of groep van personen, en (c) de uitgang -a van de tweede naamval meervoud. [...] Het -inga-type is in de loop van de tijd zeer productief geweest en omvat derhalve ook vele analogievormen op niet-antroponymische basis... Een spellingsvariant van de indifferente -i-klank in -ing is -eng. Als resultaat van een verkorte uitspraak van -inga/-enga onder bepaalde condities zijn er verder nog enkele varianten op -nga, -iga, -ega, -ia, -ja, -je." \ p 144. / Ook binnen de groep van de beroepsnamen is -inga produktief. "Het basiswoord in dergelijke formaties omschrijft in verreweg de meeste gevallen geen beroep maar een karakteristiek voorwerp uit een bedrijf of beroep. Dit metonymisch taalgebruik kan trouwens niet los worden gezien van een bepaald verschijnsel in de woordvorming." Nl. eensyllabig basiswoord, vooral bij -stra en -inga afleidingen. "Deze eensylabige woorden zijn kennelijk gemakkelijker onder de met beroepen samenhangende voorwerpen te vinden dan bij de beroepaanduidingen zelf. Welke invloed de woordvorming in dit kader inderdaad op de woordkeuze heeft, is uiteindelijk echter moeilijk te traceren. De uit één lettergreep bestaande basis speelt namelijk ook bij de beroepsnamen op -ma de voornaamste rol, terwijl algemeen gesproken tweesyllabige bases bij de woordvorming van dit type geenszins als hinderlijk worden ervaren." \
• H. Feenstra, 'De ontfriesing van Groningerland nogmaals bekeken', in: DMB 43 (1991), p 25.
• Winkler-1877, p 252-275.

afkortingen en bibliografische notaties: