Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Schellekens
< Schalk < Schalken
Schalk, van der
Schalker
Godschalk

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• "Het woord schalk heeft een hele betekenisontwikkeling ondergaan. In het Middelnederlands was een 'schalc' een dienstknecht, dienaar, lijfeigene, slaaf. Uit die minderwaardige positie van de knecht groeide de pejoratieve betekenis 'nietswaardige, deugniet, schelm, misdadiger, boef, booswicht'. De huidige betekenis 'guit' is dan weer een ontwikkeling in melioratieve zin. Schalk is waarschijnlijk hetzelfde woord als Middelnederduits schalk 'houten stut', Zweeds skalk 'afgezaagd houtblok', dat verwant is met schel, schil. Woorden voor 'stok' komen nl. wel vaker overdrachtelijk voor personen voor, zoals vlegel en bengel. Het Germaanse woord skalk kwam al vroeg als eigennaam voor. In oorkonden van de abdij van Sankt Gallen komt de naam Scalco (779) of Scalcho (860) voor. En die oude voornaam leeft voort in familienamen: Schal(c)k, Schalckx, Schalke(n), Schalks, Schelck, Schalkens, Schaeiltjens, Schellekens, Schelkens, Scheltjens." [Frans Debrabandere, 'Schalkse woorden en namen', in: Neerlandia 107 (2003), nr 2, p 37-38].
• Scalke Wouter, Pijnakker 1317 [Schaar van der-1959, p 37].
• Jan Scalcxz Zwijndrecht 1521-26 [C. Sigmond, 'Landpoorters van Dordrecht 1521-1527, in: OV 49 (1994), p 217].
• Jacob Schalck, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam [Dillen van-1941, p 164].
• Schalk, Schalken(s): Patr. Germ. VN Scalco `knecht'. 1282 Scalkin Blindepot, Kales (GYSS. 1963); 1317 Scalke Wouter, Pijnakker; 1585 Willem Cornelis Schalcken, Amsterdam (DM).   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: