Nederlandse Familienamenbank

Naam 
Ras < Raes
Rasch
Ras, van
Eras

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

• Jan Ras, wijnkoper, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam [Dillen van-1941, p 23].
• Gerrit Janssen Rasch, Zutphen 1614 [Galema-2000, deel 1, p 106].
• Herbertus Erasmus Ras, geb. Budel ca. 1648; zoon van Erasmus Gerard Ras, geb. Budel ca. 1625, huw. Hamont B. 1646; zoon van Gerardus Herbertus Ras & Margaretha Lennaerts [Irma Ras, 'Genealogie: stamboomonderzoek en onderwijs', in: Aa-kroniek 25 (2006), nr 3, p 123-139].
• Daniël Adriaensz Ras, in 1662-1731 te Alkmaar; zoon van Adriaen Ras. Voorouders uit Bremen [Dekker-1988 (Zijpe), p 595].
• Daniël Adriaensz Ras, walvisreder te Alkmaar (ca. 1700); vader van Hendrick Danielsz Ras, huw. Alkmaar 1721 [P. Dekker, De Alkmaarse geschiedenis achter een Texelse walvisbokaal, Schoorl 1995, p 22].
• Leonard Ras, vroedschap Alkmaar 1684, enz., ovl. 1707 [Vroedschap Alkmaar 5 (1996), nr 1, p 55].
• Naamsaanneming in Friesland 1811-12: Freerk Pieters Ras te Siegerswoude (Ureterp), Tjalling Pieters Ras idem, Hendrik vrouw Ras te Sneek, Anna Ras te Kollum (1813) [RFF].
• Een stamreeks gaat terug tot Freerk Pieters die samen met zijn broer Tjalling Pieters in 1812 te Ureterp de familienaam Ras aannam [Informant: Hylke Meijer te Assen, 5-5-2000].
• [H. Meijer, Parenteel van Freerk Pieters Ras & Roelofije Jans, Assen, Familievereniging Rasecht 1992; adres in: Med. CBG 48 (1994), nr 1, p 16].
• De naam Rasecht voor de Ras–genealogie is een goede vondst, maar toch gaat de -a- in de naam waarschijnlijk terug op een verkeerde interpretatie van de oorspronkelijke naam. Die (bij)naam is hoogstwaarschijnlijk het Friese bijvoeglijk naamwoord ros 'roodachtig' geweest en zal, als zovele familienamen (Zwart, De Wit, Vos — dat ook een kleuraanduiding kan zijn) te danken zijn geweest aan de haarkleur van de eerste naamdragers.
Fries ros wordt zowel met de -o- van bok als met de -o- van hok uitgesproken; in het laatste geval valt het in uitspraak samen met die van het Friese zelfstandig naamwoord ras (r¿s).
De Oudfriese korte -a- ontwikkelde zich voor bepaalde medeklinkers tot een open -o-, fonetisch altijd weergegeven als (¿). In de spelling bleef men een -a- schrijven. Dat heeft tot merkwaardige spellingen aanleiding gegeven, omdat degenen, die de doop– en trouwboeken en later de burgerlijke stand bijhielden, niet geschoold waren in het schrijven van Fries en wat de afkomst van de namen betreft niet door enige kennis gehinderd werden.
Ze wisten dat een Friese (¿) in het Hollands dikwijls correspondeerde met een -a- en omdat hun hele administratie in het Hollands werd gevoerd, werden ook vele Friese namen verhollandst. Dit leidde tot spellingen als Pasma (voor Pos(t)ma), Talman (voor Tolman), Palstra (voor Polstra) enz. enz.
Ik veronderstel, dat zich deze mutatie ook bij Ros (r¿s) heeft voorgedaan. Dat de naam iets met het zelfstandig naamwoord ras uit te staan zou hebben, lijkt mij, nog afgezien van het voorgaande, niet erg waarschijnlijk. Laat dat echter geen reden zijn om de benaming Rasecht te laten vallen. Als ze dan al niet 'zuiver van ras' zou betekenen, kan ze altijd nog als 'kleurecht' begrepen worden [Taeke Hoekema, 'De naam Ras', in: Informatieblad Rasecht (1993), nr 2; (1995), nr 10 (het fonetisch schrift in deze bijdrage kan helaas niet goed weergegeven worden].
• Raas, Raes, Ras: Patr. Germ. VN Razo < rêda `raad' + suffix -zo: 1088 Razo de Gavara (GN); 1317 Rase van Coudekerc, Walcheren (MEERTENS 1947); 1489 Gillis Woutre Raes, Axel (STEEGERS); 1576 Mayken Raes, Middelburg (DM); 1595 Jooris Raes, Aardenburg (VAN VOOREN 29); 1622-32 Marinus Pietersz Raes, Kapelle (HARTHOORN).   [WFZ]

afkortingen en bibliografische notaties: